Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard; eisen aan de verwerking

Uit NORA Online
ISOR:Strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten- eisen aan de verwerking /
Versie door Ruuddebruijn (Overleg | bijdragen) op 19 jun 2020 om 09:37 (redactie)

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Logo ISOR normen (een hangslot met de tekst ISOR norm)

Stelling

Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten (inclusief een door de rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag) of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen worden verwerktUAVG Art. 33. indien:

  • De verwerking geschiedt door organen die krachtens de wet zijn belast met de toepassing van het strafrecht, alsmede door verwerkingsverantwoordelijken die deze hebben verkregen krachtens de Wet politiegegevens (WPG) of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG);
  • De verwerking geschiedt door en ten behoeve van publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van verwerkingsverantwoordelijken of groepen van verwerkingsverantwoordelijken, indien:
  1. De verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak van deze verwerkingsverantwoordelijken of groepen van verwerkingsverantwoordelijken; en
  2. Bij de uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad;

of:

  • De verwerking noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van gegevens over gezondheid, bedoeld in de UAVG Art. 30, derde lid, aanhef en onderdeel a, met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene;
  • Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard mogen worden verwerkt door de verwerkingsverantwoordelijke die deze gegevens ten eigen behoeve verwerkt:
  1. Ter beoordeling van een verzoek van betrokkene om een beslissing over hem te nemen of aan hem een prestatie te leveren, of:
  2. Ter bescherming van zijn belangen voor zover het gaat om strafbare feiten die zijn of op grond van feiten en omstandigheden naar verwachting zullen worden gepleegd jegens hem of jegens personen die in zijn dienst zijn;
  • Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard over personeel in dienst van de verwerkingsverantwoordelijke mogen uitsluitend worden verwerkt, indien dit geschiedt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld in overeenstemming met de procedures in de Wet op de ondernemingsraden voor zover het persoonsgegevens van strafrechtelijke aard over personeel in dienst van de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
  • Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard mogen ten behoeve van derden worden verwerkt, indien:
  1. Door verwerkingsverantwoordelijken die optreden krachtens een vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (WPBR);
  2. Door een verwerkingsverantwoordelijke die tevens rechtspersoon is en in dezelfde groep is verbonden als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek, of:
  3. Door een verwerkingsverantwoordelijke die hiervoor van de AP een vergunning heeft verkregen.


Toelichting
NB: zie de toelichting bij PRIV_U.01.05.01 Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard.

Bovenliggende principe(s)

Deze norm realiseert het privacyprincipe Doelbinding gegevensverwerking via de conformiteitsindicator strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten.

Grondslag