Classificatie-indelingen

Statusbewerken

Deze pagina is opgezet n.a.v. enkele besprekingen over indelingsbegrippen binnen de expertgroep NORA Begrippenkader begin september 2026.
Vanuit de expertgroep doen we nu een voorstel aan de NORA Gebruikersraad om hier een review op te laten uitvoeren door de NORA community.
Daarna zullen we met een aantal experts wat puntjes op de i zetten, breed ruchtbaarheid geven aan deze uitwerking en contact zoeken met de NL-SBB community om een verbetervoorstel in te dienen voor de NL-SBB.

Indelingsbegrippenbewerken

Bij het definiëren conform de NL-SBB maken we in het NORA Begrippenkader regelmatig gebruik van indelingsbegrippen. Denk hierbij aan de begrippen klasse, categorie, type, soort, variant, exemplaar, verzameling, collectie, keten, netwerk, groep, variant, cluster alsmede de bijbehorende werkwoorden.

Deze indelingsbegrippen zijn echter niet of nauwelijks gedefinieerd in het NORA Begrippenkader, en worden ook in NL-SBB zonder een duidelijke structuur gehanteerd. Het terugvallen op de Van Dale levert onvoldoende borging voor eenduidig gebruik van de begrippen. Als gevolg daarvan treffen we in de praktijk interpretaties van deze begrippen aan, die een eenduidig begrippenkader in de weg zitten.

In de informatievoorziening is momenteel geen standaard voor deze indelingsbegrippen beschikbaar. Bestaande kaders bieden slechts zeer beperkte invulling, en zijn bovendien niet onderling consistent. Er dient dus een besluit te worden genomen over de structuur en de definities van indelingsbegrippen. Deze keuze zal waarschijnlijk ook een aanpassing vergen in de NL-SBB.

De Expertgroep NORA Begrippenkader stelt daarom voor om eerst een uitwerking van indelingsbegrippen op te stellen, en op basis daarvan een aanpassingsvoorstel aan de gebruikerscommunity van de NL-SBB voor te leggen.

We hebben onze analyse van indelingsbegrippen hier volgend uitgewerkt. We sluiten af met conclusies en een voorstel, waarin een wijzigingsvoorstel voor NL-SBB is opgenomen.

Begrippenlijst indelingsbegrippenbewerken

Taal is flexibel en gewillig en misverstanden zijn zómaar gecreëerd. Om die reden is structuur van het grootste belang voor eenduidige communicatie.

De NL-SBB is daarom niet alleen gebaseerd op definities, maar ook op semantische relaties tussen begrippen. Deze relaties vallen uiteen in associatieve (gerelateerde) en hiërarchische relaties. De associatieve relaties zijn abstract (“is gerelateerd aan”, mapping), en de meeste hiërarchische relaties zijn eveneens nogal abstract door in te gaan op een relatieve positionering van de begrippen. Zodra een relatie echter niet meer abstract is, maar specifiek op een structuur berust – of lijkt te berusten – is een zorgvuldige onderbouwing daarvan nodig. En juist dat mist in de huidige NL-SBB voor het gebruik van het begrip ‘categorie’. In dit wijzigingsvoorstel beschrijven we de achtergrond van het probleem en een verbetervoorstel.

Relatiesystematiekbewerken

Het begrip ‘categorie’ maakt deel uit van de volgende semantische relatiesystematiek:

  • Associatief
    • Gerelateerd aan (SKOS: skos:related)
    • Harmonisatie (mapping) relaties:
      • is exact overeenkomstig (skos:exactMatch)
      • is vrijwel overeenkomstig (skos:closeMatch)
      • is overeenkomstig verwant (skos:relatedMatch)
      • heeft overeenkomstig bovenliggend (skos:broadMatch)
      • heeft overeenkomstig onderliggend (skos:narrowMatch)
  • Hiërarchisch
    • Generiek = hoger/lager, generiek/specifiek:
      • heeft bovenliggend begrip (SKOS / ISO 25964: isothes:broaderGeneric)
      • is specialisatie van (ISO 25964: isothes:narrowerGeneric )
    • Partitief = geheel/deel:
      • is onderdeel van (ISO 25964: isothes:narrowerPartitive)
      • omvat (ISO 25964: isothes:broaderPartitive)
    • Instantieel = exemplaar/categorie:
      • is exemplaar van (ISO 25964: isothes:broaderInstantial)
      • is categorie van (ISO 25964: isothes:narrowerInstantial)

De associatieve (mapping-)relaties zijn abstract en geven alle ruimte voor een vrije toepassing. De specifiekere hiërarchische relaties geven een strakker voorschrift voor toepassing: zij zijn gebaseerd op structuur. En die structuur moet expliciet zijn om deze te kunnen voorschrijven, volgen en toepassen.

Voor de generieke en partitieve hiërarchische relaties is dit eenvoudig: dit zijn dermate verankerde begrippen in de Nederlandse taal dat daar in het algemeen hetzelfde onder wordt verstaan. De instantiële relatie “is exemplaar van” is ook nog eenduidig uit te leggen als onderste laag van de indeling-systematiek en kan daarmee op breed draagvlak rekenen. Bovendien is deze relatie zowel gekoppeld aan de isothes-vocabulaire als aan paragraaf 2.12 van ISO 25964-1. Dat geldt echter niet voor de relatie “is categorie van“. De keus voor het begrip ‘categorie’ is bovendien niet onderbouwd en vindt dus geen grondslag in een erkende structuur.

De relatiesystematiek had qua architectuur wellicht beter kunnen worden beperkt tot twee relatievormen:

  • Associatieve relatie: duidt op het bestaan van een niet-hiërarchische relatie tussen twee objecten. Er zijn diverse praktische indelingen denkbaar voor zo’n relatie, gebaseerd op het framework skos of op ISO 25964. Met associatieve relaties stel je ongestructureerde indelingen op.
  • Hiërarchische relatie: duidt op een tweedimensionale relatie tussen twee objecten o.b.v. hun relatieve positie. Er zijn diverse praktische indelingen denkbaar voor zo’n relatie, waaronder generiek/specifiek, geheel/deel, hoger/lager/ breder/smaller, groter/kleiner, dikker/dunner. Elk begrippenpaar is MECE (mutually exclusive, collectively exhaustive), en bestaat dus uit complementaire paren die het geheel opdelen in twee delen, volgens een zeker kenmerk. Met hiërarchische relaties stel je gestructureerde indelingen op.

Elke resulterende indeling heeft ofwel gedeelde kenmerken of een interne structuur, en daarmee kun je elk deel van die indeling specifiek duiden. Vervolgens kun je exemplaren toekennen aan een gespecificeerd deel van de betreffende indeling.

Gestructureerde indelingenbewerken

Het begrip categorie is een arbitrair gekozen indelingsbegrip dat thuishoort in een gestructureerde indeling, waar in het domein van de informatievoorziening ook de begrippen type, soort, variant, klasse, en exemplaar in thuishoren. En juist daarover bestaan nogal verschillende inzichten.
Zo is de biologische systematiek voor de indeling van het dierenrijk gebaseerd op de reeks rijk -> stam -> klasse -> orde -> familie -> geslacht -> soort -> exemplaar (soms met zelfs nog meer tussenlagen). In de informatievoorziening wordt ‘klasse’ echter op een geheel andere wijze toegepast, in een eigen reeks, en ‘categorie’, ‘type’ en ‘variant’ komen in de biologische systematiek niet voor. Dat betekent dat in NL-SBB een eigen, domein-specifieke keuze vereist is voor het toepassen van deze gestructureerde indelingsbegrippen.

Ongestructureerde indelingenbewerken

Indelingen die niet zijn gestructureerd, zijn gebaseerd op gemeenschappelijke kenmerken en samenhang. Deze indeling leidt tot begrippen waarbij in de informatievoorziening minimaal de begrippen groep, collectie, verzameling, keten, netwerk, cluster moeten worden opgenomen.

Topbegrip en exemplaarbewerken

In een gestructureerde indeling is nog het begrip ‘topbegrip’ relevant. Dit begrip duidt de relatieve positie aan het ‘bovenste’ eind van de as op basis waarvan een hiërarchische indeling is opgezet.
Ongestructureerde indelingen kennen geen ‘topbegrip’.

Daarnaast is het begrip ‘exemplaar ‘ relevant, om de relatie “is lid van” te duiden. Een ‘exemplaar’ in een gestructureerde indeling kan betrekking hebben op elk niveau van die indeling.
Het begrip ‘exemplaar’ is eveneens van toepassing op een deel van de vormen van een ongestructureerde indeling met een ‘groep’, zoals verzameling en collectie, maar niet op andere vormen van ‘groep’, zoals cluster of keten.

Herkomstbewerken

De oorsprong van het begrip ‘categorie’ in de relatie “is categorie van” is te vinden in de volgende bron: purl.org/iso25964/skos-thes. Deze heet daar echter narrowerInstantial (NTI), en als we nog iets nauwkeuriger kijken naar die herkomst, dan lezen we:
"ISO 25964-1: NTI / The immediate (direct or one-step) class - instance relationship."

Daarin is geen sprake van de term ‘category’. De term ‘categorie’ is dus gekozen bij de vertaling van het skos-begrip naar het Nederlands – maar dan zonder daarvoor gebruik te maken van een erkende en gestructureerde indelingssystematiek. Er is zelfs sprake van de term ‘class’ die naar het Nederlands eerder met ‘klasse’ dan met ‘categorie’ kan worden vertaald.

Verbetervoorstel voor de NL-SBBbewerken

De Expertgroep NORA Begrippenkader stelt daarom de volgende aanpassingen voor in NL-SBB:

  1. Introduceer een systematiek voor gestructureerde indelingen, voor in ieder geval de begrippen categorie, type, soort, variant, klasse, en exemplaar.
  2. Introduceer een systematiek voor niet-gestructureerde indelingen, waarin in ieder geval de begrippen groep, verzameling, collectie, keten, netwerk en cluster worden gepositioneerd, samen met het begrip exemplaar.
  3. Bepaal op basis van die systematiek de vertaling van de relatie “is categorie van” ( ISO 25964: isothes:narrowerInstantial skos), bijvoorbeeld gebruik makend van opties zoals ‘is klasse van’ en/of “is groep van” of een combinatie van die twee: “is klasse/groep van”, en pas NL-SBB daarop aan.

Uitgewerkt voorstel voor classificatiebewerken

De Expertgroep NORA Begrippenkader stelt het volgende voor.

Gestructureerde indelingenbewerken

In eerste instantie: hanteer ‘klasse’ als het koepelbegrip voor de begrippen categorie, type, soort, en variant:

  • Deel die groep hiërarchisch in, in navolging van de biologische indeling-systematiek, maar dan vanuit een informatiekundig perspectief: categorie -> type -> soort -> variant.
  • Een klasse is dan een onderscheiden positie binnen een vooraf vastgelegde hiërarchische structuur voor de indeling van objecten, waaraan een object wordt toegekend op grond van een kenmerk dat het object zelf bezit.
  • De indeling van de “klassen” is arbitrair en dient daarom te berusten op een gemeenschappelijk genomen besluit.
  • Een voorbeeld daarvan voor de classificatie van personen-wegtransportmiddelen ziet er dan als volgt uit:
    • Categorie (klasse op basis van één onderscheidend kenmerk): Personenauto
      • Onderscheidt zich van motor, bus, tram, trein en metro: het gemeenschappelijke kenmerk is het doel (personenvervoer).
    • Type (specialisatie van categorie, bepaalt de aard/relevante kenmerken): Hatchback
      • Onderscheidt zich van sedan, SUV, stationwagon, cabriolet: het kenmerk is de carrosserievorm, dat bepaalt wezenlijk hoe de auto functioneert en aanvoelt.
    • Soort (specialisatie van type op wezenlijke, bepalende kenmerken): Elektrische hatchback
      • Onderscheidt zich van een hatchback op benzine, diesel of hybride: de aandrijving is geen uitvoeringsdetail maar een bepalend kenmerk, het verandert fundamenteel hoe het voertuig werkt (laden in plaats van tanken, ander rijgedrag, andere onderhoudslogica).
    • Variant (specialisatie van soort, verschillend op een niet-bepalend uitvoeringskenmerk): Elektrische hatchback met groot accupakket.
      • Bijvoorbeeld de Volkswagen ID.3 Pro S tegenover de ID.3 Pro: beide zijn elektrische hatchbacks, met dezelfde wezenlijke kenmerken. Het verschil (accucapaciteit, actieradius) is een uitvoeringskeuze, geen ander soort auto.
    • Exemplaar: Een afzonderlijk object dat door een instantiële relatie tot een klasse behoort.
    • Samenvattend: Personenauto → Hatchback → Elektrische hatchback → ID.3 Pro S.

Het gevolg voor de relatie “is categorie van” is dan, dat deze gewijzigd wordt naar “is klasse van”, zodat elke laag van bovenstaande systematiek wordt ondersteund.

Een ander gevolg is dat we voor het indelen van een verzameling begrippen primair het begrip ‘classificatie’ gebruiken, tenzij we specifiek doelen op het toekennen van die begrippen aan een categorie (waarmee het concreet om categoriseren gaat), een type (waarmee het concreet om typeren gaat), of een soort, of een variant (waarvoor geen gangbare eigen werkwoorden voorhanden zijn).

Let wel: de volgorde van de vier begrippen is arbitrair. Er is geen dwingend criterium dat juist deze volgorde voorschrijft. De volgorde is het gevolg van de definitie van de begrippen die in de reeks voorkomen, in combinatie met het gegeven dat ze deel uitmaken van de reeks. Elk begrip dient daarom expliciet te worden gedefinieerd, zie de tabel onder ‘Resultaat’.

Niet-gestructureerde indelingenbewerken

Voor de niet-gestructureerde indelingen: leg een indeling-systematiek vast voor de begrippen groep, collectie, verzameling, keten, netwerk en cluster.
Hanteer daarin “groep” als het koepelbegrip voor verzameling, collectie en keten, waarbij ‘netwerk’ een alternatief begrip is voor ‘keten’:

  • Groep is het koepelbegrip voor groepering, analoog aan klasse voor classificatie: een onderscheiden eenheid waarin objecten bijeen worden gebracht, op basis van een criterium of een doel.
  • Verzameling, collectie, keten, en cluster zijn vormen van een groep:
    • Verzameling brengt leden bijeen op basis van een gedeeld criterium. Alternatief begrip: rubriek.
    • Collectie is doelbewust samengesteld voor een doel of context.
    • Keten brengt leden bijeen op basis van het bestaan van hun onderlinge relaties en ordening, waarbij ‘netwerk’ is inbegrepen als verbijzondering of als alternatief begrip (ntb).
    • Cluster brengt leden bijeen op basis van concentratie en samenhang.
    • Verzameling, collectie, keten en cluster staan hier niet in een specialisatieketen zoals categorie->type->soort->variant; het zijn onafhankelijke, gelijkwaardige vormen van groep.

Ook hier zijn definities vereist die de systematiek onderbouwen, zie de tabel onder ‘Resultaat’.

Resultaatbewerken

Onderstaande tabel toont de begrippen die nodig zijn bij de voorgestelde classificatie, inclusief de definitie en de gewenste interpretatie.

Begrip Definitie Interpretatie
Klasse Een onderscheiden positie binnen een vooraf vastgelegde hiërarchische structuur voor de indeling van objecten, waaraan een object wordt toegekend op grond van een kenmerk dat het object zelf bezit. Koepelbegrip voor alle onderdelen van het classificatieschema: categorie, type, soort en variant. Informatiekundige betekenis, enger dan de biologische rangnaam. De indeling in klassen is arbitrair en kan domeinspecifiek zijn.
Categorie Een klasse die zaken samenbrengt op basis van één gemeenschappelijk onderscheidend kenmerk. Minst specifieke niveau van ons classificatieschema.
Categorisatie (categorisering) Het toekennen van een object aan het categorie-niveau van een classificatieschema. Categorisatie leidt tot een categorie. Niveaugebonden; alleen categorie. Analoog: typering voor het type-niveau. Nominalisatie van categoriseren.
Type Een klasse die een specialisatie is van een categorie en die de aard of relevante kenmerken van objecten bepaalt. Tweede niveau van ons classificatieschema.
Typering Het toekennen van een object aan het type-niveau van een classificatieschema. Typering leidt tot een type. Niveaugebonden; alleen type. Analoog: categorisatie voor het categorie-niveau. Nominalisatie van typeren.
Soort Een klasse die een specialisatie is van een type op basis van wezenlijke, bepalende kenmerken. Derde niveau; geen eigen werkwoord (zie classificatie).
Variant Een klasse die een specialisatie is van een soort, of bij ontbreken daarvan van een type, met behoud van de wezenlijke kenmerken daarvan en verschillend op een niet-bepalend uitvoeringskenmerk. Fijnste niveau; geen eigen werkwoord (variëren leidt tot variatie, niet noodzakelijkerwijs tot ‘variant’).
Groep Een onderscheiden eenheid waarin objecten bijeen worden gebracht, op basis van een criterium of een doel. Koepelbegrip voor verzameling, collectie, keten en cluster. Analoog aan klasse voor classificatie.

Criteria voor groepen kunnen bestaan uit een intern kenmerk (een eigenschap van het object zelf) of op basis van een extern kenmerk (een eigenschap die niet in het object zelf zit maar in zijn relatie tot de andere objecten). Met het eerste criterium ontstaan verzamelingen en collecties, met het tweede criterium ontstaan ketens en clusters.

Een groep kan een interne ordening hebben, maar die ordening is niet het gevolg van een positie in een hiërarchische indelingsstructuur. Groepen zijn en blijven dus vlak, ook als ze intern geordend zijn: een positie op een ranglijst (ladder) is wel hiërarchisch, maar dat is een andere soort hiërarchie dan classificatie, geen indeling volgens een vooraf vastgelegde categorie-type-soort-structuur.

Groeperen Het toekennen van een object of exemplaar aan een groep. Groeperen leidt tot een groep. Groeperen kan in de vorm van een verzameling, een collectie, een keten of een cluster, naar de aard van het kenmerk waarop het lidmaatschap berust.
Verzameling Een groep waarin leden op basis van een gedeeld criterium bijeen zijn gebracht. Vorm van groep.
Verzamelen Het bijeen brengen van objecten die een gemeenschappelijk kenmerk delen. Verzamelen leidt tot een verzameling.
Collectie Een groep die doelbewust is samengesteld voor een bepaald doel of een bepaalde context. Vorm van groep. Er is geen bijbehorend werkwoord (collecteren is echt wat anders).
Keten (netwerk) Een groep objecten waarvan de leden door onderling samenhangende relaties in een bepaalde volgorde of structuur met elkaar verbonden zijn. Bij overheidsdienstverlening is bijna altijd sprake van ketens, bestaande uit objecten in de vorm van entiteiten die fungeren als schakels. Geen enkele entiteit (schakel, organisatie) kan alles in z'n eentje doen. Samenwerking in ketens is daarom een belangrijke capability van de overheid. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening modelleert de samenwerking tussen twee entiteiten in zo'n keten. Ketens zijn niet per definitie lineair. Het begrip keten kan ook gebruikt worden voor netwerken. Er is geen bijbehorend werkwoord bij keten (ketenen en netwerken zijn echt wat anders).
Cluster Een groep objecten waarvan de leden dicht bij elkaar liggen of sterk met elkaar samenhangen. Bijvoorbeeld: het cluster van ICT-bedrijven rond Groningen, of het cluster van dienstverlenende bedrijven op het industrieterrein van Zwolle-Noord.
Clusteren Het bijeen brengen van objecten waarvan de leden dicht bij elkaar liggen of sterk met elkaar samenhangen. Clusteren leidt tot een cluster.
Exemplaar Een afzonderlijk object dat door een instantiële relatie tot een klasse of een groep behoort. Resultaat van classificatie (bij een klasse) of groepering (bij een groep); niet gebonden aan één niveau.

Deze tabel gebruikt zelfstandige naamwoorden voor begrippen, conform NORA's eigen voorkeur ("niet autoriseren maar autorisatie"), maar definieert hier voor de volledigheid en duidelijkheid ook de afgeleide werkwoorden.

Conclusiebewerken

  • Klasse en groep: twee volledig parallelle koepelbegrippen. Klasse koepelt categorie, type, soort en variant; groep koepelt verzameling, collectie, keten en cluster. Beide zijn informatiekundige begrippen, elk met een eigen classificatie- respectievelijk groeperingsschema.
  • Classificatie en groepering: de nominalisaties van classificeren en groeperen, de algemene, niveau-onafhankelijke handelingen die een object aan een klasse respectievelijk een groep toekennen.
  • Categorisatie is dan de niveau-gebonden toekenning van een object aan uitsluitend het categorie-niveau. Typering is de analoge, al bestaande term voor het type-niveau.
  • Objecten kunnen deel uitmaken van zowel klassen als groepen. Tussen het object en iedere klasse of groep waar dat object deel van uitmaakt bestaat dan de relatie “is exemplaar van”.
  • Exemplaar: het resultaat van classificatie (bij een klasse) of groepering (bij een groep); niet gebonden aan één niveau.
  • Naamgeving: de tabel gebruikt zelfstandige naamwoorden conform NORA's eigen voorkeur; de toelichtende tekst gebruikt werkwoorden waar dat de uitleg verduidelijkt.
  • Gewenste aanpassing in NL-SBB: neem de structuur van de indelingsbegrippen over als een (best) practice, pas de tekst van NL-SBB aan o.b.v. deze practice, en vervang de naam van de relatie “is categorie van” door een beter passende naam.

Bronnenbewerken