Overzicht NORA Begrippenkader - Basisbegrippen
Contactpersoon: Toine Schijvenaars, neem contact op
Zoeken naar begrippen, kan met dit zoekformulier
Aantal: 130
| Begrip | Definitie | Toelichting | Status redactie |
|---|---|---|---|
| activiteit | Een samenhangende set van handelingen als onderdeel van een processtap. | Bij het organiseren van de taken,bevoegdheden en verantwoordelijkheden in een organisatie worden veelal relaties gelegd tussen de dimensie 'proces' en de dimensie 'mensen in de organisatie',maar het niveau van de activiteit is het meest gangbaar,respectievelijk tussen het 'wat' en het 'wie'.
Die relaties worden veelal uitgedrukt op het niveau van de activiteit. Een RACI-model specificeert dan de relaties tussen de activiteiten en de uitvoerders/verantwoordelijken daarvan. Een functiehuis beschrijft de clustering van activiteiten die in de vorm van profielen aan personen kan worden toegekend. Een procedure specificeert de keuzes die daarbij voor een specifieke casus zijn gemaakt. Deze relaties kunnen in principe ook nog fijnmaziger worden vastgelegd op het niveau van de handeling of grover op het niveau van de processtap. |
Vastgesteld |
| afnemer | Een entiteit die iets afneemt van een andere entiteit. | Een afnemer in de context van dienstverlening is een mens of organisatie die een dienst afneemt van een ander mens of een andere organisatie in de rol van dienstverlener. Afnemers van overheidsdiensten kunnen in verschillende gedaanten voorkomen, denk aan burger, bedrijf, onderneming, ondernemer, stichting, inwoner, staatsburger, of ingezetene.
De afnemer kent de rollen 'opdrachtgever' en 'gebruiker'. De 'opdrachtgever' maakt de afspraken met de dienstverlener over het leveren van de dienst. De (eventuele) medewerkers van die afnemer kunnen dan worden geautoriseerd als de 'gebruikers' van de dienst. Wie de rol van opdrachtgever heeft kan zelf ook een gebruiker zijn. Een lid van de Gemeenteraad kan zélf - als burger in die gemeente - weer een gebruiker zijn van de gemeentelijke verordeningen die in die gemeente zijn overeengekomen. Een afnemer kan ook één mens zijn (bijvoorbeeld 'burger' of 'zzp'), die dan zowel opdrachtgever als (de enige) gebruiker is. De burger is hier dus een afnemer in de vorm van een mens. In ons democratisch bestel worden burgers bij het maken van afspraken over algemeen geldende dienstverlening vertegenwoordigd door de verschillende lagen van de volksvertegenwoordiging. Zo maken de Tweede Kamer en de Eerste Kamer samen de afspraken die als 'wet' worden gekwalificeerd. Dat doen zij in de rol van opdrachtgever, namens de burgers die zij daarbij vertegenwoordigen. In de overheidsdienstverlening aan burgers treden de verschillende vormen van de volksvertegenwoordiging (Gemeenteraad, College van Provinciale Staten, Eerste en Tweede Kamer, Waterschapsbestuur) dus op in de rol van opdrachtgevers die de burgers impliciet autoriseren voor het gebruik van de overeengekomen dienst, volgens de daarin vastgelegde afspraken. Bij een apparaat-apparaat koppeling ligt dit anders. Een apparaat kan iets ontvangen ('afnemen') van een ander apparaat, maar dat is een technologische koppeling (functie, functionaliteit). Dat apparaat is daarmee niet een afnemer in de context van dienstverlening. Deze technologische koppeling kan wél onderdeel zijn van een dienst die door een entiteit wordt verleend aan een andere entiteit. |
Vastgesteld |
| afspraak | Dat wat entiteiten met elkaar hebben besloten. | Een afspraak is pas een afspraak als beide entiteiten (partijen) bevestigen dat die afspraak is gemaakt. Een afspraak kan informeel zijn (denk aan een mondelinge afspraak die is gebaseerd op vertrouwen of gewoonten uit het verleden) maar kan ook formeel zijn (denk aan een schriftelijk vastgelegde overeenkomst die - net zoals een mondelinge overeenkomst - juridisch bindend kan zijn). Een afspraak kan een resultaatverplichting inhouden, maar ook een 'best effort'.
Een standaard is pas een afspraak als samenwerkende ketenpartners die expliciet van toepassing verklaren. In het kader van standaardisatie en ketensamenwerking in het onderwijs is een afspraak nader gedefinieerd als een "normatief bedoelde overeenkomst binnen een bepaalde context over de inrichting en het toepassen van bepaalde voorzieningen en/of standaarden". Een afspraak kan betrekking hebben op een dienst. We spreken dan van dienstverleningsafspraak of dienstverleningsovereenkomst. In de IT-wereld worden daarvoor ook alternatieve begrippen zoals serviceovereenkomst, service agreement, service level agreement, en dienstenniveau-overeenkomst aangetroffen. Het Basisconcept van Dienstverlening kent één geïntegreerd proces 'Afspreken' voor alle soorten afspraken die over dienstverlening worden gemaakt: afspraken met afnemers, afspraken met toeleveranciers, en afspraken met interne organisatie-eenheden: respectievelijk dienstverlningsovereenkomsten, interne werkafspraken, en onderliggende overeenkomsten. |
Vastgesteld |
| Afspreken | Het proces waarmee afspraken worden gemaakt en beheerd. | Het proces 'Afspreken' is één van de vijf processen uit het NORA Basisconcept van dienstverlening. Die 5 processen zijn: Afspreken, Wijzigen, Herstellen, Uitvoeren, Verbeteren. In het proces Afspreken worden alle vormen van afspraken beheerd die in de dienstverlening voorkomen: afspraken met afnemers, toeleveranciers, en interne organisatie-eenheden. | Vastgesteld |
| apparaat | Fysiek artefact dat handelingen kan uitvoeren. | Een apparaat kan bestaan uit hardware, daarop draaiende programmatuur of een combinatie daarvan. Het kan onderdeel zijn van een voorziening of gebruikt worden in interactie met een voorziening bij het gebruik van een dienst. Bij een apparaat kan een identiteit horen; een apparaat voert specifiek ontworpen functies uit voor een entiteit. | Vastgesteld |
| applicatie | Een computerprogramma voor gebruikers. | Er is een onderscheid tussen computerprogramma's voor gebruikers en computerprogramma's voor systemen. De laatste worden geen applicaties genoemd maar systeemsoftware. | Vastgesteld |
| Applicatielaag | De laag binnen het NORA-vijflaagsmodel voor de specificatie van de architectuur van applicaties. | De Applicatielaag in de NORA beschrijft met welke methoden en standaarden een architect invulling kan geven aan de applicatie-architectuur van het vraagstuk waarvoor een oplossing wordt gezocht. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen en hun samenhang:
Registraties (Data sets) waarin de feitelijke gegevenswaarden zijn opgenomen. Databewerkingsfuncties waarmee standaard bewerkingen op die gegevenswaarden kunnen worden uitgevoerd. Software (algoritmen) waarmee op geautomatiseerde wijze processtappen kunnen worden uitgevoerd. De kern van de applicatie-view is de manier waarop de overheid de afgesproken overheidsdienstverlening aan burgers en bedrijven met software digitaliseert. |
Vastgesteld |
| architectuur | De fundamentele concepten en eigenschappen van een object in zijn omgeving, samen met de leidende principes voor de realisatie en evolutie in de levenscyclus van dat object. | Er zijn verschillende typen architecturen deze worden nader toegelicht op: https://www.noraonline.nl/wiki/Typen_architecturen_in_NORA-familie In de engelse versie wordt gesproken over entity. Dat is in deze definitie vertaald in object, dat hiermee overeenkomt. Zie de definities van object en entiteit. Architectuur biedt de kaders en richtlijnen waarbinnen ontwerpen tot stand komen. Architectuur en ontwerp zijn daarmee verschillende zaken: architectuur beschrijft het wat en waarom op het niveau van fundamentele concepten en leidende principes, terwijl een ontwerp (functioneel of technisch) binnen die kaders het hoe uitwerkt voor een concrete realisatie. Een functioneel of technisch ontwerp is dus geen architectuur. | Vastgesteld |
| architectuurpatroon | Techniek om bouwstenen in een architectuurcontext te plaatsen. | Architectuurpatronen zijn te beschouwen als bouwstenen op architectuurniveau. | Vervallen |
| artefact | Een kunstmatig gecreëerd object. | Bij een artefact kan een identiteit behoren. In architectuur gaat het meestal om modellen en beschrijvingen die gebruikt worden om structuur, samenhang of functionaliteit van een systeem of organisatie inzichtelijk te maken. | Vastgesteld |
| attribuut | Een kenmerk dat is toegekend aan een informatieobject. | Het beschrijft een kenmerkende eigenschap die aan objecten en gebeurtenissen kan worden toegeschreven. Deze definitie onderscheidt zich bewust van het meer specifieke MIM-begrip "attribuutsoort" en biedt een bredere, meer algemene invulling.
Binnen het Begrippenkader Toegang fungeert attribuut als een generalisatie van het begrip "identiteitsgegeven". Dit betekent dat alle identiteitsgegevens per definitie attributen zijn, maar niet alle attributen hoeven identiteitsgegevens te zijn. Een identiteitsgegeven is dus een specifieke vorm van een attribuut die gebruikt wordt om een object uniek te identificeren. Het is belangrijk te benadrukken dat deze definitie van attribuut verschilt van hoe het begrip "gegeven" wordt gedefinieerd in de MIM-standaard (Metamodel Informatie Modellering). Terwijl MIM spreekt over getypeerde gegevens, hanteert dit begrippenkader een bredere definitie die niet per se een typering vereist. Deze bewuste keuze zorgt voor meer flexibiliteit in het gebruik van het begrip binnen verschillende contexten. |
Vastgesteld |
| begrip | Een eenheid van denken die wordt uitgedrukt door een woord of een groep woorden en verwijst naar de betekenis die daaraan wordt gegeven. | De belangrijkste toepassing voor een begrippenkader is het ophalen van informatie,waarbij het doel is om naar begrippen te zoeken. Begrippen worden weergegeven door termen. Elke term in een thesaurus moet een enkel begrip (of denkeenheid) vertegenwoordigen. Begrippen kunnen variëren van eenvoudig (bijv. katten) tot zeer complex (bijv. rassendiscriminatie onder etnische minderheden). Samengestelde termen of zinsdelen zijn over het algemeen nodig om de meer complexe begrippen uit te drukken. | Vastgesteld |
| begrippenkader | Een verzameling normatief bedoelde begrippen die in een bepaald domein relevant zijn. | Een begrippenkader kan worden gedefinieerd om begrippen uit verschillende bronnen op te nemen. Begrippenkaders bieden een manier om kennis te ordenen voor het later kunnen ophalen. Ze worden gebruikt in indexeringsschema's, koppen, thesauri, taxonomieën en andere kennisorganisatiesystemen. Begrippenkaders verplichten het gebruik van vooraf gedefinieerde, geautoriseerde begrippen die zijn geselecteerd door de ontwerpers ervan, in tegenstelling tot natuurlijke taalvocabulaires, die een dergelijke beperking niet hebben. | Vastgesteld |
| beheer | Alle handelingen die relevant zijn voor het instandhouden van iets. | Beheren is een containerbegrip dat is gericht op instandhouden. Instandhouden omvat een veelheid aan taken om de gewenste instandhouding te bewerkstelligen, waaronder managen,coördineren,en uitvoeren van taken met een wijzigings-, herstel-, uitvoerings- en verbeterdoelstelling. Beheer in de context van dienstverlening omvat de gehele levenscyclus van de te beheren infrastructuur, inclusief het initieel ontwikkelen, het aanpassen, en het uiteindelijk verwijderen van wat beheerd wordt. | Vastgesteld |
| beheerde infrastructuur | De componenten en kenmerken van de infrastructuur die de dienstverlener onder controle wil hebben om de overeengekomen diensten te kunnen verlenen. | De beheerde infrastructuur van de dienstverlener bestaat uit het geheel van voorzieningen dat nodig is om de dienst(en) te laten functioneren. Dit omvat zowel de voorzieningen die de dienstverlener produceert en beschikbaar stelt aan afnemers als de interne hulpmiddelen die de dienstverlener gebruikt om deze voorzieningen te ontwikkelen en te beheren. Zie het NORA Basisconcept van Dienstverlening voor een detaillering van het managementsysteem waarin de beheerde infrastructuur een sleutelbegrip is.
Elke aanpassing van de beheerde infrastructuur wordt afgehandeld als een wijziging, in het proces 'Wijzigen'. Een aanpassing die de beheerde infrastructuur niet verandert, wordt afgehandeld als een service request, in het proces 'Uitvoeren'. Om als dienstverlener in staat te zijn de overeengekomen diensten te leveren, moet die dienstverlener alle daarvoor noodzakelijke infrastructuur beheersen. Dat vereist inzicht in de aard en samenstelling van de beheerde infrastructuurcomponenten (BIC's), alsmede de borging van betrouwbare informatie daarover. Het beheerde infrastructuur register (BIR) speelt daarmee een zeer belangrijke rol t.a.v. de kwaliteitsborging van de dienstverlening. Een onbetrouwbare registratie daarvan, of een ontbrekende of incomplete registratie, kan leiden tot fouten in de dienstverlening en tot extra kosten. Het ontsluiten van de informatie over de beheerde infrastructuur voor alle betrokkenen in de dienstverlenende organisatie bevordert een correcte en snelle afhandeling van dienstverleningstaken. Een BIC is niet hetzelfde als een asset: een BIC kán een asset zijn, en een asset kán een BIC zijn. Assets worden beschouwd vanuit een financieel perspectief, beheerde infrastructuur wordt beschouwd vanuit een dienstverleningsperspectief. |
Vastgesteld |
| beleid | Een vooraf vastgestelde handelwijze voor het realiseren van doelen. | Beleid kent allerlei verschijningsvormen en kan zich bevinden op allerlei niveaus,variërend van strategisch tot tactisch tot operationeel. Zo wordt er op ministeries beleid ontwikkeld,maar ontwikkelen individuele organisaties ook hun eigen beleid. Daarnaast zijn er ook hele concrete manifestaties van beleid zoals wachtwoordbeleid dat beschrijft welke tekens en lengte acceptabel zijn voor een wachtwoord. | Vastgesteld |
| bericht | Een afgebakende hoeveelheid gegevens die een verzender naar een ontvanger stuurt. | In de context van digitale gegevensuitwisseling bestaat een bericht uit een envelop (header),inhoud (payload) en optioneel een of meerdere bijlagen (attachments). De term wordt ook in meer algemene zin gebruikt voor informatie die met mensen (zoals burgers) wordt uitgewisseld. Een berichtenbox is daarbij een verzameling van ontvangen berichten. | Vastgesteld |
| bevoegdheid | Het bezitten van toestemming om een handeling te mogen verrichten. | Een bevoegdheid kan alleen aan een entiteit worden toegekend. Apparaten kunnen geen bevoegdheid bezitten. Een bevoegdheid kan al dan niet in naam van een andere entiteit worden verkregen. Een bevoegde entiteit kan bij het uitoefenen van bevoegdheden gebruik maken van apparaten. | Vastgesteld |
| bouwsteen | Een herbruikbare component van een architectuur, aanpasbaar en bruikbaar in verschillende contexten. | Het concept bouwsteen helpt bij het structureren en organiseren van complexe architecturen, zodat deze gemakkelijker te beheren en te implementeren zijn.
Kenmerken van een bouwsteen/building block volgens TOGAF: Herbruikbaar: Een bouwsteen kan in meerdere projecten, oplossingen of contexten worden gebruikt zonder dat het opnieuw ontwikkeld hoeft te worden. Bruikbaar op verschillende niveaus: Een bouwsteen kan zowel op hoog niveau abstract zijn (bijvoorbeeld een proces) als gedetailleerd (bijvoorbeeld een specifiek softwarecomponent). Samengesteld of elementair: Een bouwsteen kan bestaan uit meerdere kleinere bouwstenen of zelf een enkelvoudige eenheid zijn. Vastgelegd in de architectuur: Een bouwsteen wordt beschreven met duidelijke specificaties, zoals doel, functionaliteit en interfaces, zodat het eenvoudig te integreren is. Soorten bouwstenen in TOGAF: Architectuurbouwstenen (ABB’s): Dit zijn conceptuele of logische bouwstenen die beschrijven wat er nodig is. Voorbeeld: Een klantbeheerwerkwijze, een set beveiligingsregels of een data-integratiemodel. Oplossingsbouwstenen (SBB’s): Dit zijn concrete, implementatiegerichte bouwstenen die beschrijven hoe iets wordt gerealiseerd. Voorbeeld: Een specifieke softwareapplicatie, een databaseplatform, of een fysieke serverconfiguratie. Voordelen van bouwstenen: Modulariteit: Complexe architecturen kunnen worden opgebouwd uit kleinere, beter beheersbare eenheden. Consistentie: Hergebruik van bouwstenen zorgt voor uniformiteit in oplossingen. Efficiëntie: Door gebruik te maken van bestaande bouwstenen wordt tijd en kosten bespaard bij de ontwikkeling van nieuwe systemen. Flexibiliteit: bouwstenen kunnen eenvoudig worden vervangen of aangepast wanneer de bedrijfsbehoeften veranderen. Praktisch voorbeeld: Een organisatie kan een bouwsteen voor authenticatie definiëren. Dit bouwsteen beschrijft het proces en de technologieën die nodig zijn om gebruikers te identificeren en toegang te geven. Dit kan conceptueel worden beschreven in de architectuurfase (ABB) en vervolgens worden geïmplementeerd als een Single Sign-On (SSO) oplossing (SBB). Met bouwstenen wordt een systematische en herhaalbare aanpak gefaciliteerd voor het ontwerpen en beheren van een bedrijfsarchitectuur. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening is gebaseerd op Systems Thinking, waarin het systeem van een dienstverlener-organisatie gedefinieerd wordt als een set essentiële componenten: mensen, processen, en hulpmiddelen. Die componenten zijn vervolgens de bouwstenen van alle werkwijzen waarmee de dienstverlener de prestatie verricht: workflows, procedures en werkinstructies. |
Vastgesteld |
| capability | Dat wat een systeem kan presteren. | In de NORA wordt capability gebruikt in relatie tot een entiteit. Capabilities worden vooral gebruikt om te beschrijven wat organisaties kunnen of zouden moeten kunnen. Daarmee zijn capabilities alternatieve ordeningen van zaken die al op andere manieren worden beschreven in begrippen zoals proces, processtap, activiteit, handeling, procedure, werkinstructie, werkwijze, of bedrijfsfunctie.
Het specificeren van capabilities heeft vooral nut bij het analyseren van de prestaties van organisaties. Capabilities veranderen echter niets aan die praktijk: de prestaties van een organisatie worden nog steeds voortgebracht door mensen die dingen doen met spullen, om daarmee diensten voor afnemers te leveren. Capability heeft geen betrekking op wat een technologisch systeem (bijvoorbeeld computer, netwerk) kan presteren; dat noemen we functionaliteit. |
Vastgesteld |
| categorisatie | Het indelen volgens vooraf bepaalde categorieën. | Het doel hiervan is om een vereenvoudigde, gestructureerde orde aan te brengen, waardoor dingen hanteerbaarder en beter bespreekbaar worden. Bijvoorbeeld het verdelen van meldingen in categorieën of klassen op basis van de beslissingsroute (welk profiel beslist over de afhandeling), of op basis van de aard (functionaliteit, functioneren, software, infrastructuur, organisatie). | Vastgesteld |
| component | Een functioneel onderdeel van een systeem, bestaande uit meerdere elementen. | Een component in de IT-wereld is bijvoorbeeld een database-server: een essentieel onderdeel van een IT-systeem dat gegevens opslaat,beheert en opvraagt voor andere toepassingen. De database-server is samengesteld uit elementen zoals hardware,database-software en gegevensbeheersystemen.
Een component in het onderwijs is bijvoorbeeld een lesmodule: een onderwijsmodule of leermateriaal dat is ontworpen om bepaalde leerdoelen te bereiken. Een lesmodule bevat doorgaans elementen zoals lesplannen,opdrachten,evaluatiecriteria en ondersteuningselementen zoals video's of interactieve tools. Een component is personentransport is bijvoorbeeld een treinwagon: elk treinstel bestaat uit meerdere wagons (personenrijtuigen) die samen een functioneel onderdeel vormen voor het vervoer van passagiers. Deze wagons zijn samengesteld uit elementen zoals zitplaatsen,deuren,veiligheidsvoorzieningen,en soms ook sanitaire voorzieningen. Het NORA Bassiconcept van Dienstverlening is gebaseerd op Systems Thinking, waarin het systeem van een dienstverlener-organisatie gedefinieerd wordt als een set essentiële componenten: mensen, processen, en hulpmiddelen. Die componenten zijn vervolgens de bouwstenen van alle werkwijzen waarmee de dienstverlener de prestatie verricht: workflows, procedures en werkinstructies. |
Vastgesteld |
| coördineren | Het plannen, aansturen van, en toezien op werkzaamheden door uitvoerders. | Coördineren is één van de drie soorten werk in het besturingsmodel van een organisatie: managen, coördineren en uitvoeren. Coördineren vormt de brug tussen managen en uitvoeren. Coördineren heeft dan betrekking op het aansturen van de overeengekomen uitvoering ten behoeve van de doelen die met het management zijn overeengekomen. Coördineren is dus niet managen, en dientengevolge is de coördinator niet de manager.
We maken onderscheid naar twee vormen van coördineren: procescoördinatie en lijncoördinatie. Het bijbehorende profieltype 'coördinator' kent ook twee subtypes: procescoördinator en lijncoördinator. |
Vastgesteld |
| dienst | Een ondersteunde voorziening. | Een dienst is een voorziening die door een dienstverlener beschikbaar wordt gesteld aan een afnemer c.q. zijn gebruikers, en die door die dienstverlener wordt ondersteund als de afnemer c.q. zijn gebruiker de voorziening gebruikt.
Het NORA Basisconcept van Dienstverlening beschrijft de ondersteuning vanuit het perspectief van de burger, en definieert daarvoor de vier reactieve processen waarmee de dienstverlener die ondersteuning uitvoert: Afspreken, Wijzigen, Herstellen en Uitvoeren. Die vier processen zijn van toepassing op alle diensten. De voorzieningen in de diensten zijn buitengewoon variabel: daaronder vallen alle zaken die aan de burger beschikbaar worden gesteld in het kader van de dienstverlening. Dat varieert van openbaar vervoer tot aan inkomensvoorzieningen, van openbaar groen tot geestelijke hulpverlening en van onderwijs tot aan afvalverwerking en verkeerstoezicht. Alle diensten, en dus ook alle voorzieningen en ondersteuningsvormen, worden vanuit de burger beoordeeld in termen van functie (wat kan ik er mee?) en functioneren (hoe goed werkt het?). Het Basisconcept van Dienstverlening specificeert hiermee niet alleen de eerstelijnsrelatie tussen de burger en een overheidsorganisatie, maar ook de relaties tussen de samenwerkende overheidsorganisaties áchter die eerstelijnsorganisatie. Voor elke dienstverleningsrelatie tussen twee van die organisaties geldt dezelfde definitie van een dienst. Zie ook de uitleg in de video "Wat is nu eigenlijk een dienst?. |
Vastgesteld |
| dienstencatalogus | Lijst van diensten die een dienstverlener beschikbaar stelt aan een afnemer. | De dienstencatalogus is een lijst, eigendom van en opgesteld door de dienstverlener. Het beschrijft de diensten die een dienstverlener kan leveren aan afnemers en hun gebruikers. Een dienst omvat de voorzieningen en de ondersteuning van deze voorzieningen. De volledige dienstencatalogus specificeert dan de voorzieningen en de ondersteuning van deze voorzieningen.
Omdat de dienst het 'product' van een dienstverlener is, en die dienstverlener alleen diensten levert, is de voorkeursterm hier 'dienstencatalogus' en niet 'producten- en dienstcatalogus'. In het verleden werd het begrip 'product' gelijkgesteld aan 'goederen'. In de diensteneconomie is het 'product' van de dienstverlener is echter de 'dienst'. Goederen zijn onderdeel zijn van de component 'voorziening' in dat begrip 'dienst'. Het gebruiken van 'product' op zowel het niveau van de 'dienst' als op het het niveau van de 'voorziening' leidt daarmee tot een tegenspraak. De woordcombinatie 'producten en diensten' levert daarmee een contaminatie en dient niet (meer) te worden gebruikt. Een dienstencatalogus kan ten behoeve van de afnemer ook samengesteld zijn uit meerdere dienstencatalogi van meerdere dienstverleners. Denk bijvoorbeeld aan mijnoverheid.nl. |
Vastgesteld |
| dienstverlener | Een entiteit die een dienst levert aan een andere entiteit. | Een dienstverlener kan één of meer afnemers en één of meer toeleveranciers hebben. Vanuit het perspectief van een dienstverlener wordt de entiteit die iets levert áán deze dienstverlener een toeleverancier genoemd. Daarmee is een dienstverlener per definitie gepositioneerd als een schakel in een keten. De rol van dienstverlener schuift één positie op bij de volgende schakel: de afnemer wordt weer een dienstverlener aan de afnemers ván die afnemer, en de toeleverancier wordt de dienstverlener aan de initiële dienstverlener die nu zelf afnemer is geworden.
Een overheidsorganisatie die direct contact heeft met de burger is in die zin dus een eerstelijnsdienstverlener met de burger als afnemer. Deze dienstverlener is echter weer afnemer van tal van andere dienstverleners, die op hun beurt ook weer afnemer zijn van andere dienstverleners. Daarmee ontstaat een ecosysteem van dienstverlener-afnemer-relaties: schakels. Voor elk van deze relaties en schakels kan gebruik worden gemaakt van het NORA Basisconcept van Dienstverlening. Een afnemer heeft één of meer gebruikers die de dienst gebruiken. Als de afnemer slechts uit één individu bestaat valt de afnemer samen met de gebruiker. |
Vastgesteld |
| doel | Datgene wat je wil bereiken in de context van een missie. | Een doel is breder en algemener dan een doelstelling, en daarmee vaak moeilijker meetbaar dan een doelstelling. Een doel kan in meerdere gedetailleerde doelstellingen worden uiteengerafeld. In het Engels is de begrippencombinatie doel/doelstelling vertaald als goal/objectives. | Vastgesteld |
| doelarchitectuur | Een toekomstige gewenste architectuur. | De doelarchitectuur beschrijft de toekomstige, gewenste situatie van een domein, organisatie of systeem. Deze architectuur fungeert als richtinggevende stip op de horizon en geeft aan welke structuur, processen en technologieën nodig zijn om strategische doelen te bereiken. Het wordt ook wel aangeduid als de "Soll"-situatie, wat het gewenste eindbeeld benadrukt in tegenstelling tot de huidige situatie ("Ist"-situatie), die vaak gekenmerkt wordt door bestaande beperkingen, ook wel de "gestolde" architectuur genoemd. De doelarchitectuur dient niet alleen als een inspirerend toekomstbeeld, maar biedt ook praktische kaders en richtlijnen om transities en veranderingen te ondersteunen. Hiermee vormt het een cruciaal hulpmiddel voor besluitvorming en prioritering bij verandertrajecten. Het kan betrekking hebben op verschillende aspecten, zoals applicatielandschap, processen, gegevenslandschap of technologie-infrastructuur, afhankelijk van de context en scope. | Vastgesteld |
| doelstelling | Een specifieke en meetbare stap om een doel te bereiken. | Een doelstelling is meer specifiek en meetbaar dan een doel. Een doel kan in meerdere gedetailleerde doelstellingen worden uiteengerafeld. In het Engels is de begrippencombinatie doel/doelstelling vertaald als goal/objectives. | Vastgesteld |
| domein | Samenhangend geheel van dingen in de werkelijkheid. | In de context van informatie- en gegevensmodellering wordt ook wel de term "Universe of Discourse" gebruikt. Het is het deel van de werkelijkheid dat onderdeel is van het model.
Bij de overheid wordt het begrip 'domein' ook gebruikt om een bepaald werkveld, beleidsgebied of aandachtsgebied af te bakenen waarin specifieke organisaties, regelgeving en verantwoordelijkheden bestaan. Een domein geeft vaak een sector of cluster aan van activiteiten die te maken hebben met maatschappelijke functies en die onder een bepaalde overheidstaak of beleidsprioriteit vallen. Voorbeelden: Domein Gezondheid en Zorg - alles wat te maken heeft met gezondheidszorg, ouderenzorg, maatschappelijke ondersteuning en welzijnswerk. Domein Onderwijs, Cultuur en Wetenschap - dit omvat onder andere scholen, universiteiten, musea, bibliotheken. Domein Veiligheid en Justitie - alle activiteiten rond handhaving van de wet, strafrecht, politie en brandweer. Domein Openbare Ruimte en Infrastructuur - de inrichting en het onderhoud van de fysieke leefomgeving inclusief infrastructuur zoals wegen, waterwegen en openbaar vervoer. |
Vastgesteld |
| drijfveer | Iets dat motiveert om (uiteindelijk) bepaalde doelen te bereiken. | Een drijfveer kan invloed hebben op:
de visie van een organisatie. Drijfveren zijn bijvoorbeeld de overwegingen van de organisatie bij het bepalen van haar toekomstbeeld. de missie van een organisatie. Drijfveren zijn hier de motivaties voor de organisatie bij het bepalen van wat de organisatie nastreeft in de context van die missie. de kernwaarden van een organisatie: Drijfveren zijn hier de overwegingen die de organisatie hanteert bij haar opereert en omgaat met stakeholders. de principes van een organisatie: Drijfveren voeden deze principes, bijvoorbeeld door de ethische overwegingen te voeden. de strategie, doelstelling en doelen van een organisatie. Drijfveren bepalen direct of indirect (via missie, visie, kernwaarden en principes) de keuzes van de organisatie voor de praktische handelingen. |
Vastgesteld |
| entiteit | Actief object met eigen wilsbeschikking bij het uitvoeren van handelingen. | Er zijn twee soorten entiteiten: een natuurlijk persoon en een organisatie. Bij een entiteit kan een identiteit behoren. Entiteiten hebben een wilsbeschikking en kunnen daarmee gedrag vertonen in tegenstelling tot apparaten die functionaliteit hebben. | Vastgesteld |
| functie | De beoogde werking van iets. | In de context van architectuurmodellering spreken we ook wel over bedrijfsfuncties, applicatiefuncties of infrastructuurfuncties.
Een dienst (ondersteunde voorziening) wordt vanuit het perspectief van de afnemer c.q. de gebruiker beoordeeld in termen van functie ("Wat kan ik er mee?") en functioneren ("Hoe goed levert de dienst de overeengekomen functie?"). Dit geldt zowel voor de voorziening als voor de ondersteuning ván die voorziening. Over die twee zaken dienen in de afspraak over de dienstverlening dus concrete besluiten worden genomen. In ketens van dienstverleners dienen de onderlinge afspraken elkaar te dekken. Daarvoor is het nuttig een vergelijkbaar formaat te hanteren voor die afspraak. De indeling in functie en functioneren van zowel de voorzieningen als de ondersteuning daarvan is daarbij de aanbevolen structuur, die verder wordt toegelicht in het NORA Basisconcept van Dienstverlening. Een generieke functie is een algemeen voorkomende vorm van een functie. Een capability kan worden gespecificeerd in termen van functies. Het begrip functie wordt niet gebruikt in de context van een aanstelling of positie van een individu: daarvoor wordt het begrip profiel gehanteerd. Denk hierbij ook aan een gegevensdienst, een verzameling operaties die toegang bieden tot een of meer datasets of gegevensverwerkingsfuncties. Met een gegevensdienst of dataservice kan men toegang krijgen tot (een selectie of bewerking van) gegevens van een of meer datasets, speciaal bedoeld voor geautomatiseerde koppelingen tussen systemen. Voorbeelden zijn API- of WMS services. |
Vastgesteld |
| functioneren | De werking van iets. | Het functioneren duidt het gedrag van iets in de praktijk.
Een dienst wordt vanuit het perspectief van de afnemer c.q. de gebruiker beoordeeld in termen van functie ("Wat kan ik er mee?") en functioneren ("Hoe goed levert de dienst de overeengekomen functie?"). Dit geldt ook voor de voorziening die deel uitmaakt van de dienst. Van een voorziening stellen we functie en functioneren vast,vanuit het perspectief van de afnemer/gebruiker. Over functie en functioneren dienen in de afspraak over de dienstverlening dus concrete besluiten worden genomen. In ketens van dienstverleners dienen de onderlinge afspraken elkaar te dekken. Daarvoor is het nuttig een vergelijkbaar formaat te hanteren voor die afspraak. De indeling in functie en functioneren van de ondersteunde voorzieningen is daarbij de aanbevolen structuur. |
Vastgesteld |
| gebruiker | Een natuurlijke persoon die iets gebruikt. | Een afnemer in de vorm van een organisatie kan gebruikers hebben en autoriseren voor het gebruik van een dienst.
In de situatie van een 'éénpersoonsorganisatie' zijn afnemer en gebruiker één en dezelfde natuurlijke persoon. Een organisatie kan niet een gebruiker zijn: de handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening worden altijd uitgevoerd door een natuurlijke persoon. |
Vastgesteld |
| gegeven | Een vastgelegde waarneming of bewering over een eigenschap van een object. | De begrippen 'data' en 'gegeven' worden gehanteerd als synoniemen. Er is een stroming binnen gegevensmanagement in opkomst die een onderscheid tussen beide maakt waarbij onder 'data' alleen de ruwe, onderliggende representatie van gegevens wordt verstaan. | Vastgesteld |
| goed | Iets dat bij overdracht een waarde vertegenwoordigt. | Een goed kan tastbaar (fysiek, bijv. een computer) en ontastbaar (non-fysiek, bijv. een applicatie) zijn.
Een goed kan gebruikt worden waarna het beschikbaar is voor hergebruik, maar een goed kan ook consumeerbaar zijn, waarna het niet meer in dezelfde vorm hergebruikt kan worden. Van een goed kan het eigendom overgedragen worden, maar het eigendom kan ook blijven bij de entiteit die het goed beschikbaar stelt en laat gebruiken door de gebruiker. Handelingen kunnen wel een waarde vertegenwoordigen, maar ze kunnen niet overgedragen worden. Goederen vormen samen met handelingen de voorziening in een dienst. |
Vastgesteld |
| governance | Een systematische werkwijze voor het besturen van, de gedragscode voor, en het toezicht op organisaties. | Governance kan toegepast worden op één of meer organisaties.
Governance is complementair aan management: management gaat over de uitvoering en het operationele beheer van de organisatie. Governance is vaak belegd bij andere organisatieonderdelen dan management; governance ligt in de regel bij een raad van bestuur of toezichthouders,zoals de raad van commissarissen,terwijl management ligt bij het collectief van de managers die sturing geven aan de uitvoering van de strategie en het dagelijks functioneren van de organisatie. |
Vastgesteld |
| grondslag | De wet- en regelgeving en/of het beleid die van toepassing zijn. | De architectuur voor grondslagen is uitgewerkt in de Grondslagenlaag van de NORA. | Vastgesteld |
| Grondslagenlaag | De laag binnen het NORA-vijflaagsmodel voor de specificatie van de architectuur van grondslagen. | De Grondslagenlaag beschrijft met welke methoden en standaarden een architect invulling kan geven aan de wet- en regelgeving die relevant is voor het vraagstuk waarvoor een oplossing wordt gezocht. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen en hun samenhang:
De Nederlandse Wet- en Regelgeving De relatie met Europese en andere Internationale Wet- en Regelgeving Beleidskaders Kernwaarden en Kwaliteitsdoelen van dienstverlening De kern van de Grondslagen-view zijn de afspraken die zijn gemaakt in onze samenleving over de beoogde maatschappelijke effecten en de kwaliteit van de overheidsdienstverlening en de algemene kaders waarbinnen de overheid die afspraken moet nakomen. |
Vastgesteld |
| handeling | Een kleinste eenheid van werk als onderdeel van een activiteit. | Een handeling is de kleinste eenheid voor het specificeren van een proces: een proces bestaat uit stappen die bestaan uit activiteiten die weer bestaan uit handelingen. Door een optimale ordening van die handelingen in activiteiten en stappen ontstaat een optimaal proces. Door het specificeren van de uitvoerder van die handelingen ontstaat een procedure,en als daaraan dan de technische voorschriften voor het gebruiken van hulpmiddelen worden toegevoegd,ontstaat een werkinstructie. | Vastgesteld |
| Herstellen | Het proces waarmee incidenten worden behandeld. | Het proces 'Herstellen' is één van de vijf processen uit het NORA Basisconcept van dienstverlening. Die 5 processen zijn: Afspreken, Wijzigen, Herstellen, Uitvoeren, Verbeteren. Het proces omvat de handelingen die gericht zijn op het herstellen van incidenten in de overeengekomen dienstverlening. | Vastgesteld |
| hulpmiddel | Een middel dat door een entiteit wordt gebruikt bij het uitvoeren van handelingen. | Deze hulpmiddelen maken geen deel uit van de diensten, maar worden gebruikt om de diensten mee voort te brengen. De hulpmiddelen van een dienstverlener kunnen op hun beurt weer gebaseerd zijn op diensten (ondersteunde voorzieningen) van een toeleverancier. | Vastgesteld |
| identiteit | Een verzameling van kenmerkende eigenschappen van een object. | We spreken in de context van toegang vooral over identiteiten van natuurlijk personen. Entiteiten en apparaten met een bepaalde identiteit krijgt dan toegang tot een bepaalde dienst, of het verantwoorden over verleende toegang door een dienst. Het is echter ook mogelijk om in meer algemene zin over identiteiten van objecten te spreken. Dan kan bijvoorbeeld een tafel ook een identiteit hebben. Dan hebben we het bijvoorbeeld over kenmerkende eigenschappen zoals de kleur, het aantal poten en mogelijk een serienummer dat deze tafel heeft. | Vastgesteld |
| incident | Een (dreigende) afwijking van het overeengekomen dienstniveau. | Bij een incident treedt degradatie van de dienstverlening op. Een storing die nog niet is opgetreden, maar elk moment kan optreden, wordt ook beschouwd als een incident: als je ziet aankomen dat een dienst op korte termijn een storing zal ondergaan is het niet in het belang van de afnemer/gebruiker om te wachten met reageren tot de dienst daadwerkelijk verstoord is.
Het afhandelen van incidenten is een reactieve activiteit, gericht op het wegnemen of beperken van de effecten van de verstoring. Een incident kan separaat van die afhandeling informatie leveren op basis waarvan een proactieve activiteit wordt getriggerd, waarin gepoogd wordt de oorzaak van de verstoring weg te nemen of te beperken. Die proactieve activiteit is geen onderdeel van incidentafhandeling maar van risicobeheersing. |
Vastgesteld |
| informatie | De betekenis die mensen geven aan gegevens in een context. | De interpretatie die iemand geeft aan gegevens is afhankelijk van zijn/haar kennis/overtuigingen. Het is ook afhankelijk van waar en wanneer deze interpretatie plaatsvindt. Informatie wordt ook wel gezien als die dingen die verschil maken. Wat voor één informatie is,is voor de ander geen informatie (bijvoorbeeld als hij/zij dat al wist). Gegevens en informatie zijn wel aan elkaar verbonden; zonder gegevens is er ook geen informatie. | Vastgesteld |
| Informatielaag | De laag binnen het NORA-vijflaagsmodel voor de specificatie van de architectuur van informatie. | De Informatielaag beschrijft met welke methoden en standaarden een architect invulling kan geven aan de informatiearchitectuur van het vraagstuk waarvoor een oplossing wordt gezocht. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen en hun samenhang:
Begrippen en -kaders Informatieobjecten en -modellen DCAT-Beschrijvingen van datasets Metagegevens De kern van de informatiekundige view is de manier waarop wij objecten (bijvoorbeeld een woonwijk, of een gebouw) en gebeurtenissen (bijvoorbeeld de sleuteloverdracht bij de aankoop van een huis) uit onze leefomgeving, de fysieke werkelijkheid, vertalen naar begrippen en beschrijvingen als informatieobjecten met attributen. Daarmee creëren we de administratieve werkelijkheid van de overheid. Denk aan ons als mensen (begrip) die we afbeelden c.q. beschrijven als persoon (informatieobject) met attributen als naam, geboortedatum en gewicht. Alle voor de overheid relevante begrippen, informatieobjecten en attributen worden op die manier afgebeeld c.q. beschreven via gegevens (data). Zie verdere uitleg hierover bij Best Practices for meaningful connected computing (bp4mc2.org). |
Vastgesteld |
| informatieobject | Een op zichzelf staand geheel van gegevens met een eigen identiteit. | De kern van de informatiekundige view is de manier waarop wij objecten (bijvoorbeeld een woonwijk, of een gebouw) en gebeurtenissen (bijvoorbeeld de sleuteloverdracht bij de aankoop van een huis) uit onze leefomgeving, de fysieke werkelijkheid, vertalen naar begrippen en beschrijvingen als informatieobjecten met attributen. Zie ook: https://www.noraonline.nl/wiki/Informatielaag#Toelichting_op_de_Laag_3:_Informatielaag In het voorstel voor de nieuwe Archiefwet (2021) wordt de term document gebruikt, maar dat heeft bij veel mensen een meer beperkte connotatie dan de term informatieobject. Er wordt daar gesproken over "schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens[...]". In de context van de MDTO standaard komen informatieobjecten voort uit de taken van de overheid en ligt de nadruk op duurzame toegankelijkheid. De TOOI standaard hanteert een brede definitie van de notie informatieobject, voortbouwend op de notie information resource zoals beschreven in de W3C-recommendation "Architecture of the World Wide Web,Volume One". De standaard definieert een informatieobject als de klasse van resources waarvan de essentiële karakteristieken overgebracht kunnen worden middels een bericht. | Vastgesteld |
| informatievoorziening | Het geheel van voorzieningen waarmee een gebruiker in zijn informatiebehoefte kan voorzien. | Het gaat hier niet om een enkelvoudige informatieverwerkende voorziening,maar om het geheel van alle voorzieningen waarmee in de informatiebehoefte wordt voorzien. Het is overigens gangbaar om hier toch het begrip informatievoorziening voor te gebruiken. | Vastgesteld |
| infrastructuur | Het geheel van voorzieningen dat nodig is om iets te laten functioneren. | Infrastructuur verwijst naar de onderliggende voorzieningen die nodig zijn voor het functioneren van iets anders. Voor een applicatie bestaat de infrastructuur uit zaken zoals servers, netwerken, middleware en opslagvoorzieningen, maar ook uit beveiligingsvoorzieningen. Voor een organisatie bestaat de infrastructuur uit fysieke zaken zoals gebouwen, werkplekken, IT- en communicatievoorzieningen, IT-voorzieningen, beveiligingsvoorzieningen, maar ook uit minder fysieke zaken zoals werkwijzen, projectmanagementtechnieken, transport en logistiek. Voor een goed functionerende maatschappij bestaat de infrastructuur uit fysieke zaken zoals wegen, bruggen, waterleidingen, elektriciteitsnetten, telecommunicatie en transport, maar ook uit bestuurlijke en politieke structuren, zorgvoorzieningen, culturele voorzieningen, financiële structuren en onderwijsvoorzieningen. | Vastgesteld |
| interactie | Het op elkaar reageren door entiteiten en/of apparaten. | Afhankelijk van de betrokken entiteiten en/of apparaten kan interactie verschillende vormen aannemen.
Bij interactie tussen mensen kan bijvoorbeeld sprake zijn van een wederzijdse beïnvloeding door middel van gedrag of communicatie. Bij de interactie tussen een mens en een apparaat kan bijvoorbeeld sprake zijn van de verwerking van gegevens. Apparaten hebben dan een gemechaniseerde reactie op input,en de mens kan reageren op de output van het apparaat. Denk aan een toegangspoortje op een treinstation. Bij interactie tussen apparaten kan bijvoorbeeld sprake zijn van de uitwisseling van gegevens, signalen, elektrische impulsen of fysieke objecten. Denk aan twee applicaties die via een API gegevens uitwisselen, of aan een trein die reageert op een wissel. De reactie van de betrokken entiteiten en/of apparaten kan zich dus uiten in fysieke gevolgen, maar ook in termen van gedrag c.q. functies. |
Vastgesteld |
| interface | De beschrijving van de koppeling en daaruit voortkomende interactie tussen entiteiten en/of apparaten. | Afhankelijk van de betrokken entiteiten en/of apparaten en de aard van de interactie kan een interface verschillende vormen aannemen.
Bij twee apparaten is een koppeling de technische verbinding die systemen samenbrengt. Bij interactie tussen twee apparaten kan de interface bijvoorbeeld bestaan uit de fysieke verbindingen tussen hardwarecomponenten, zoals USB-poorten of netwerkinterfaces, of uit de logische regels en protocollen waarmee applicaties met elkaar communiceren. Bij interactie tussen twee mensen kan een interface bijvoorbeeld bestaan uit taal, maar ook uit de beeldsignalen die een doventolk hanteert. Bij interactie tussen een mens en een apparaat spreken we van een gebruikersinterface (user interface - UI). Deze kan bijvoorbeeld bestaan uit de visuele en interactieve elementen waarmee een gebruiker een apparaat bedient, zoals knoppen, schermen, en menu's. |
Vastgesteld |
| interoperabiliteit | Het vermogen van entiteiten en/of apparaten om te kunnen interacteren. | Technologische interoperabiliteit heeft betrekking op de interactie tussen apparaten (denk aan applicaties).
Organisatorische interoperabiliteit heeft betrekking op de samenwerking tussen entiteiten (denk aan organisaties). Voor de organisatorische interoperabiliteit in dienstverleningsketens is in de NORA het Basisconcept van Dienstverlening opgenomen. Hierin is de samenwerking tussen twee entiteiten in een keten gemodelleerd. Die entiteiten kunnen bestaan uit een burger en een overheidsorganisatie (G2C: government to citizen), maar eveneens uit twee overheidsorganisaties die samenwerken in de publieke dienstverlening (G2G: government to government) of tussen een overheidsorganisatie en een bedrijf (G2B: government to business). Interoperabiliteit kan ook betrekking hebben op semantiek: semantische interoperabiliteit. Denk daarbij aan het juist kunnen interpreteren van de gehanteerde begrippen door de entiteiten die daarbij betrokken zijn. Ook wordt nog gesproken over juridische interoperabiliteit: de mate waarin de juridische kaders voor alle betrokken entiteiten met elkaar in overeenstemming zijn. |
Vastgesteld |
| IT-infrastructuur | De IT-voorzieningen waarop applicaties draaien. | IT-infrastructuur omvat bijvoorbeeld netwerkapparatuur, servers, data-opslagsystemen, bekabeling en andere connectiviteitsvoorzieningen, back-up- en hersteloplossingen, en middleware. | Vastgesteld |
| IT-infrastructuurlaag | De laag binnen het NORA-vijflaagsmodel voor de specificatie van de architectuur van IT-infrastructuur. | De IT-infrastructuur laag beschrijft met welke methoden en standaarden een architect invulling kan geven aan het fysieke transport van digitale gegevens (data) van het vraagstuk waarvoor een oplossing wordt gezocht. Binnen deze laag vallen de infrastructurele voorzieningen waarop de applicaties draaien. | Vastgesteld |
| kernwaarde | Fundamentele overtuiging van een natuurlijk persoon of een organisatie, gebaseerd op maatschappelijke waarden. | Een organisatie kiest op basis van haar kernwaarden haar missie om een bijdrage te leveren aan haar visie. In de NORA gelden de kernwaarden voor Dienstverlening (NORA). | Vastgesteld |
| keten | Een samenwerkingsverband tussen entiteiten die, naast hun eigen doelstellingen, een of meer gemeenschappelijke doelstellingen nastreven. | Bij overheidsdienstverlening is bijna altijd sprake van ketens, bestaande uit schakels in de vorm van entiteiten. Geen enkele entiteit (schakel, organisatie) kan alles in z'n eentje doen. Samenwerking in ketens is daarom een belangrijke capability van de overheid. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening modelleert de samenwerking tussen twee entiteiten in zo'n keten. Ketens zijn niet per definitie lineair. Het begrip keten kan ook gebruikt worden voor netwerken en/of ecosystemen. | Vastgesteld |
| ketenpartner | Een entiteit die een bepaalde rol heeft binnen een keten. | Vanuit een organisatie of natuurlijk persoon bekeken zijn alle organisaties en natuurlijk personen waarmee in een formeel samenwerkingsverband (keten) samengewerkt wordt of samengewerkt kan worden ketenpartners (en vice versa). In het kader van de ROSA (onderwijs) zijn met name de zogeheten ketensamenwerkingen waarin organisaties met elkaar samenwerken relevant in relatie tot het begrip ketenpartner. | Vastgesteld |
| ketenproces | Een proces waarbij de onderkende processtappen zich lenen voor uitvoering door verschillende ketenpartners. | Een ketenproces is gewoon een proces, dat wil zeggen een serie handelingen (eventueel gegroepeerd tot activiteiten of processtappen) die wordt getriggerd om een beoogd resultaat te bereiken. Het onderscheid met het begrip 'proces' zit in het doel en perspectief van de uitwerking van een ketenproces. De uitwerking van het ketenproces is zodanig gedaan dat de resulterende groepering van handelingen is voorgesorteerd op de uitvoering daarvan door verschillende ketenpartners.
Omdat een ketenproces slechts een specialisatie is van het begrip 'proces', is een ketenproces - net als 'proces' - uitsluitend uitgedrukt in (groepen) handelingen, en vermeldt het ketenproces geen uitvoerders of (technologische) hulpmiddelen,. Een ketenproces is daarmee per definitie abstract en generiek, net zoals andere vormen van 'proces'. Zodra de uitwerking een verbijzondering bevat naar een praktische toepassing (waarvoor uitvoerders en/of hulpmiddelen worden benoemd) ontstaat er een practice - een praktisch toegepaste werkwijze van het type procedure of werkinstructie. Op dat moment is er niet meer sprake van een ketenproces maar van een praktische toegepaste ketenwerkwijze (procedure of werkinstructie). Het begrip ketenproces speelt vooral een rol in het perspectief van samenwerking tussen meerdere ketenpartners. Dat kunnen verschillende overheidsorganisaties zijn, maar ook externe dienstverleners. Een ketenproces kan - net zoals een proces - een verantwoordelijke organisatie kennen: dat is dan een ketenprocesverantwoordelijke organisatie. Deze ziet erop toe dat de samenwerking tussen betrokken ketenpartners dan volgens plan verloopt. Een ketenproces dient dus als een referentie waar de samenwerking tussen betrokken ketenpartners aan te relateren is als die referentie wordt uitgewerkt naar een praktisch toegepaste werkwijze (d.w.z. een procedure of werkinstructie). NB: een ketenproces is niet hetzelfde als een procesketen. Een procesketen is aan de orde zodra er een reeks processen binnen een reeks van bijbehorende entiteiten aan de orde komt. Daarmee staat dan niet meer die gezamenlijke ketenprestatie van het ketenproces centraal, maar wordt gefocust op de afzonderlijke delen daarvan. |
Vastgesteld |
| klantreis | De acties van een gebruiker en de interacties tussen een gebruiker en een dienstverlener bij het afnemen van een dienst, gezien vanuit het perspectief van de gebruiker. | Een klantreis beschrijft de acties en interacties bij het leveren van een dienst, vanuit het perspectief van de gebruiker. De klantreis beschrijft de interacties van de betrokken werkwijze, waarbij alleen de eigen handelingen en de voor die gebruiker zichtbare interacties worden betrokken (de touchpoints).
Een workflow, een waardestroom, en een klantreis beschrijven alle drie de end-to-end stroom van het werk dat bij een dienstverleningsprestatie is inbegrepen, maar vanuit verschillende perspectieven en met verschillende diepgang. De workflow specificeert alleen de handelingen. De detaillering daarvan vindt plaats in de vorm van de procedure en de werkinstructie. De waardestroom specificeert alle handelingen die door alle betrokken uitvoerders worden uitgevoerd, al of niet met de bijbehorende uitvoerders en de technische voorschriften voor die uitvoering. De waardestroom komt dus overeen met een werkwijze van het type workflow, procedure of werkinstructie, al naargelang de mate van detaillering van die werkwijze. De laatste is de meest gangbare vorm. De klantreis specificeert alleen wat de afnemer/gebruiker ervaart van alle werkzaamheden die in de workflow c.q. waardestroom voorkomen. Ook die klantreis kun je dus detailleren op het niveau van de workflow, de procedure, of de werkinstructie. De laatste is de meest gangbare vorm. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening legt uit hoe acht standaard sjablonen gebruikt kunnen worden om alle klantreizen,waardestromen en praktische werkwijzen in dienstverlening te definiëren. |
Vastgesteld |
| knooppunt | Een voorziening die het afnemers mogelijk maakt aan te sluiten op gegevensbronnen. | Dit begrip is vervallen. | Vervallen |
| koppelvlak | Een interface die uitwisseling van gegevens tussen informatiesystemen verzorgt. | Dit begrip is vervallen. | Vervallen |
| machtiging | Een bevoegdheid die een entiteit verleent aan een andere entiteit om in naam van eerstgenoemde handelingen te verrichten. | Een machtiging is een wilsverklaring waarbij een entiteit (persoon, organisatie) de bevoegdheid aan een andere entiteit verleent om in zijn of haar naam bepaalde feitelijke handelingen te verrichten. De verantwoordelijkheid blijft echter liggen bij de entiteit die de machtiging verleent. Een machtiging kan niet aan een apparaat worden toegekend. | Herzien en opnieuw voorgesteld |
| management | Het deel van de organisatie dat zich bezig houdt met het managen. | Er is een verschil tussen managen en coördineren, en dientengevolge ook tussen manager en coördinator. Het begrip 'manager' lijkt een hoger gewaardeerd begrip in een profielomschrijving te zijn dan 'coördinator', waardoor de kwalificatie 'manager' nogal eens wordt gehanteerd voor zaken die niet onder 'managen vallen maar onder 'coördinatie', of wellicht zelfs onder 'uitvoering'. | Vastgesteld |
| managementsysteem | Een samenhangend stelsel van middelen waarmee je doelen realiseert. | Het systematisch managen van dienstverlening vindt plaats in de vorm van een managementsysteem.
Het managementsysteem bestaat uit de essentiële componenten van het systeem van de dienstverlener: de mensen, de processen, en de hulpmiddelen die deze mensen daarbij gebruiken. Samen vormen die drie essentiële componenten de werkwijzen van de organisatie, waarmee die organisatie haar prestaties levert. In navolging van de zienswijze van Systems Thinking vindt het structureren en duurzaam verbeteren van de prestatie van de dienstverlener plaats door het geïntegreerd verbeteren van alle drie essentiële componenten. De integratie van die drie componenten in de werkwijzen van de dienstverlener heeft de vorm van proces, procedure (proces + mensen), of werkinstructie (proces + mensen + hulpmiddelen) al naargelang de betrokken componenten uit het systeem. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening specificeert het generieke managementsysteem van alle dienstverleners, en laat zien hoe je mat slechts 8 workflowpatronen alle managementtaken van een dienstverlener kunt uitvoeren. |
Vastgesteld |
| managen | Het organiseren van taken om doelen effectief en efficiënt te bereiken. | Managen is één van de drie soorten werk in het besturingsmodel van een organisatie: managen, coördineren en uitvoeren. Managen houdt zich bezig met het maken van afspraken over de coördinatie en uitvoering van werkzaamheden, en het scheppen van de daarvoor noodzakelijke randvoorwaarden. Coördineren heeft dan betrekking op het aansturen van de overeengekomen uitvoering ten behoeve van de doelen.
Er is dus een verschil tussen managen en coördineren, en dientengevolge ook tussen manager en coördinator. In een matrixorganisatie kent het profieltype 'manager' twee subtypes: procesmanager en lijnmanager. De procesmanager houdt zich bezig met het managen vanuit het perspectief 'proces', en de lijnmanager houdt zich bezig met managen vanuit het perspectief 'lijn' (hiërarchische teamsamenstellingen). Voorbeeld van een procesmanager: Procesmanager 'Herstellen' Voorbeeld van een lijnmanager: Directeur Omgevingsbeheer Het begrip 'manager' lijkt een hoger gewaardeerd begrip in een profielomschrijving te zijn dan 'coördinator', waardoor de kwalificatie 'managen' nogal eens wordt gehanteerd voor zaken die niet onder 'managen' vallen maar onder 'coördineren', of wellicht zelfs onder 'uitvoeren'. |
Vastgesteld |
| melding | Een verzoek vanuit een afnemer aan een dienstverlener waarmee een beroep wordt gedaan op de ondersteuning van een voorziening. | Het Basisconcept van Dienstverlening kent vier meldingstypen voor de vier reactieve processen die vanuit de afnemer kunnen worden getriggerd: een wens triggert het proces Afspreken, een wijzigingsverzoek triggert het proces Wijzigen, een storingsmelding (incident) triggert het proces Herstellen, een service request triggert het proces Uitvoeren. Met die vier reactieve processen voert de dienstverlener de werkwijzen uit waarmee de ondersteuning wordt geleverd. Zie ook architectuur-aspecten van overheidsdiensten. Daarnaast kent het Basisconcept van Dienstverlening één meldingstype voor het (enige) proactieve proces: een verbetervoorstel (risicomelding/risico) triggert het proces Verbeteren. | Vastgesteld |
| mens | Levend wezen van de soort homo sapiens. | Dit begrip is vervallen. | Vervallen |
| metagegeven | Een gegeven over gegevens. | Praktisch gezien kun je metagegevens zien als bijsluiter bij gegevens. Het onderscheid tussen gegevens en metagegevens is niet altijd zwart-wit; het is afhankelijk van de context en de rol die de gegevens spelen. Zo kunnen bijvoorbeeld gegevens over een natuurlijke persoon gebruikt worden om aan te geven wie de auteur is van een informatie-object en daarmee worden ze metagegevens. Er zijn allerlei vormen van metagegevens. De DAMA Data Management Body of Knowlegde (DMBoK) maakt onderscheid tussen business metagegevens, technische metagegevens en operationele metagegevens. Business metagegevens zijn bijvoorbeeld begrippen,bedrijfsregels,informatie- en gegevensmodellen,kwaliteitsregels,datasetdefinities en gegevens over de herkomst van gegevens. Technische metagegevens zijn bijvoorbeeld technische gegevensmodellen, gegevens over databases, bestandsformaten en ETL scripts. Operationele metagegevens zijn bijvoorbeeld audit- en errorlogs,omvang- en gebruiksgegevens en uitwisselafspraken. Dit onderscheid wordt vooral gebruikt in de context van gestructureerde gegevens. | Vastgesteld |
| metamodel | Model van modellen. | Een metamodel is een model, dat op een hoger abstractieniveau de gewenste/vereiste structuur, regels en relaties definieert voor een bepaalde deelverzameling modellen van hetzelfde type (zoals MIM dat doet voor informatiemodellen) met als doel om modellen meer uniform en meer consistent op te zetten, beter communiceerbaar te maken en beter op elkaar te laten aansluiten, zodat modellen waar nodig makkelijker met elkaar gecombineerd kunnen worden. | Vastgesteld |
| middel | Datgene wat je aanwendt om een doel te bereiken. | Elke organisatie (entiteit) bestaat uit "mensen die dingen doen met spullen". Elke organisatie en elk team binnen een organisatie is een dienstverlener en "doet" haar "dingen" dus voor een andere entiteit. De essentiële middelen van de organisatie omvatten de essentiële middelen die in de bedrijfsvoering van die organisatie of dat team worden ingezet. Die essentiële middelen omvatten de mensen die bij de uitvoering zijn betrokken, de dingen die zij doen (geordend in logische workflows en praktische werkwijzen), en de (interne) hulpmiddelen die zij daarbij inzetten.
Hetzelfde geldt voor een organisatie van één persoon. Het productvan een dienstverlener is een dienst. De diensten die de organisatie levert zijn dus de producten van die organisatie. De hulpmiddelen die de organisatie daarbij inzet vallen niet onder diensten, omdat deze hulpmiddelen alleen worden ingezet bij de productie en levering ván die diensten en niet als een voorziening aan de afnemer beschikbaar worden gesteld. In een keten kunnen de voorzieningen die onderdeel zijn van een dienst voor de afnemer daarvan weer de rol van hulpmiddel spelen in de dienstverlening van die afnemer aan de entiteit die de daaropvolgende schakel in de keten is. |
Vastgesteld |
| missie | Een beknopte verklaring over wat de entiteit nastreeft in de context van haar visie en onder invloed van drijfveren. | Bij een gekozen visie kiest een organisatie een missie: de bijdrage die de organisatie aan de gewenste toekomst kan en wil leveren, vanuit haar eigen kernwaarden. Voor de realisatie van die missie kiest de organisatie een strategie waarmee de organisatie een concrete doelstelling wil bereiken. Die doelstelling kan met een serie concrete doelen worden gerealiseerd. Hetzelfde geldt voor een organisatie van één persoon. Een natuurlijk persoon kan een (persoonlijke) missie hebben. | Vastgesteld |
| model | Een vereenvoudigde representatie van een deel van de werkelijkheid. | Een model kan allerlei vormen hebben zoals een figuur, een schema of een tekst. | Vastgesteld |
| natuurlijk persoon | Een individueel menselijk wezen dat dood of levend kan zijn maar niet denkbeeldig. | Volgens artikel 6 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens heeft ieder mens het fundamentele mensenrecht om als (natuurlijk) persoon erkend te worden; een staat mag dus geen onderscheid maken tussen menselijke individuen in het al of niet toekennen van de juridische status van natuurlijk persoon. Zie Natuurlijk persoon - Wikipedia | Vastgesteld |
| NORA-vijflaagsmodel | De vijf architectuurlagen binnen de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur (NORA) waarin architectuurelementen worden ingedeeld. | De vijf lagen zijn:
Laag 1: Grondslagenlaag Laag 2: Organisatorische laag Laag 3: Informatielaag Laag 4: Applicatielaag Laag 5: IT-Infrastructuurlaag |
Vastgesteld |
| object | Een onderscheidbaar iets in het beschouwde domein. | Objecten kunnen gedrag vertonen (entiteiten), functies hebben (apparaten), of passief zijn. | Vastgesteld |
| objecttype VERVALT - VOLGENS EIGEN TOELICHTING | De typering van een groep objecten die binnen een domein relevant zijn en als gelijksoortig worden beschouwd. | Dit begrip is vervallen. | Vervallen |
| ondersteuning | De hulp die de afnemer ontvangt van de dienstverlener bij het benutten van de dienst. | De dienst van een dienstverlener is een ondersteunde voorziening. De afspraak over die dienst wordt gemaakt door de opdrachtgever van de afnemerorganisatie. De gebruiker van de afnemer maakt vervolgens gebruik van de voorziening die in de dienst beschikbaar wordt gesteld. Bij een afnemer in de vorm van één mens vallen de profielen opdrachtgever en gebruiker samen.
Met de dienst ontvangt de afnemer de overeengekomen voorziening, alsmede de ondersteuning die vereist/gewenst is om die voorziening te laten functioneren zoals afgesproken. Het Basisconcept van Dienstverlening maakt onderscheid naar vier verschillende soorten ondersteuning: Afspreken, Wijzigen, Herstellen, en Uitvoeren. Elke soort ondersteuning wordt getriggerd door het bijbehorende interactietype Wens, Wijzigingsverzoek, Storingsmelding, en Service request. De dienstverlener levert die ondersteuning door middel van de werkwijzen van die dienstverlener. Een apparaat kan geen afnemer zijn van een dienst en kan dus geen ondersteuning ontvangen: apparaten hebben hooguit een technologische koppeling met andere apparaten. Afnemers zijn altijd entiteiten, dus het zijn die entiteiten die de ondersteuning van de dienstverlener ontvangen. Elke dienst is ondersteunend aan de werkzaamheden van de afnemer, of met andere woorden facilitair. Het begrip 'facilitaire diensten' wordt echter vooral gehanteerd voor interne, secundaire diensten, terwijl ook de externe, primaire diensten ondersteunend en dus facilitair zijn voor de afnemer daarvan. In organisatorische zin wordt vaak een drielagenmodel gehanteerd, met: eerstelijnsondersteuning - de ondersteuning die plaats vindt door de eerste behandelaar waarmee de aanvrager contact krijgt (ook wel front-office genoemd) tweedelijnsondersteuning - de ondersteuning die plaats vindt als die eerstelijns afhandelaar het ondersteuningsverzoek niet kan, mag, of wil uitvoeren, en de afhandeling overdraagt aan een tweede lijn (ook wel back-office genoemd). derdelijnsondersteuning - de ondersteuning die plaats vindt als die tweedelijns behandelaar het ondersteuningsverzoek niet kan, mag, of wil uitvoeren, en de afhandeling overdraagt aan een derde lijn (bijvoorbeeld een specialistengroep of een toeleverancier). |
Vastgesteld |
| ontwerp | De representatie van een toekomstige werkelijkheid. | In de context van de levenscyclus: idee,ontwerp en realisatie. Architectuur biedt het kader voor het ontwerp ten behoeve van consistente resultaten. | Vastgesteld |
| open standaard | Een standaard die tot stand is gekomen volgens een voor eenieder toegankelijke procedure, die openbaar toegankelijk en kosteloos bruikbaar is, en waarvan over de specificaties blijvend vrijelijk kan worden beschikt of waarvan de specificaties blijvend kunnen worden verkregen tegen een redelijke vergoeding. | Volgens Forum Standaardisatie zijn standaarden ‘open’ als ze aan de volgende kenmerken voldoen:
De benodigde documentatie zoals het specificatiedocument moet laagdrempelig beschikbaar zijn,dat wil zeggen gratis,of tegen een redelijke vergoeding. Er mogen geen hindernissen zijn op het terrein van intellectueel eigendomsrecht,zodat iedereen de standaard gratis kan gebruiken. Er moeten voldoende inspraakmogelijkheden zijn voor stakeholders tijdens de (door)ontwikkeling van de standaard. De onafhankelijkheid en duurzaamheid van de standaardisatieorganisatie moeten verzekerd zijn. Er moeten voldoende inspraakmogelijkheden zijn voor stakeholders tijdens de (door)ontwikkeling van de standaard; Het feitelijke gebruik van de standaard mag niet onderworpen mag worden aan een (octrooi)vergoeding of aan andere contractuele beperkingen. De benodigde documentatie zoals het specificatiedocument moet laagdrempelig beschikbaar zijn, dat wil zeggen gratis, of tegen een redelijke vergoeding. |
Vastgesteld |
| operatie | De uitvoering van een tactiek om het strategisch gewenste resultaat te behalen. | Operatie heeft betrekking op de 'doen'-fase, waarin de concrete stappen die in de tactiek zijn vastgesteld, daadwerkelijk worden uitgevoerd, voor de realisatie van het strategisch plan. De operatie is meestal afgebakend, meetbaar, en gericht op het behalen van directe en concrete resultaten.
Operatie heeft een kortetermijn karakter. In de context van gegevensverwerking is 'een' operatie een geautomatiseerde functie die gegevens verwerkt. Een operationele bewerking is typisch het creëren, raadplegen, wijzigen of verwijderen van gegevens. Iets is dus operationeel als het betrekking heeft op de uitvoering van de handelingen die in een tactiek zijn vastgesteld ter realisatie van een strategie. Bij de operatie gaat het dus om het daadwerkelijk uitvoeren van werkzaamheden. De context bepaalt in hoge mate of je iets als operationeel beschouwt. Een directeur die een jaarplan schrijft voor het komende jaar is daarmee operationeel bezig, maar diezelfde directeur doet dat waarschijnlijk in een tactische context. Een adviseur die een rapport schrijft is daarmee operationeel bezig, maar doet dat waarschijnlijk in een strategische of tactische context. Een analogie die in dit verband gangbaar is, is richten-inrichten-verrichten, waarbij operatie betrekking heeft op het 'verrichten'. |
Vastgesteld |
| organisatie | Een entiteit bestaande uit mensen die samenwerken om specifieke doelen te bereiken. | Een organisatie kan een rechtspersoon zijn (conform Burgerlijk Wetboek,boek 2,artikelen 1-3).
Een organisatie heeft structuur, en kan ook bestaan uit een combinatie van mensen en organisaties (die zelf ook weer uit mensen bestaan). De mensen in een organisatie kunnen weer één of meerdere organisaties vormen, waardoor een organisatie ook uit een combinatie van (mensen en) organisaties kan bestaan. Samenwerkingsverbanden zijn organisaties die in verschillende domeinen, zoals gemeenten en onderwijs, een specifiekere invulling kunnen hebben. Bijvoorbeeld een samenwerkingsverband in het onderwijs is een rechtspersoonlijk orgaan van schoolbesturen dat verantwoordelijk is voor de organisatie van ondersteuning aan leerlingen binnen het kader van het passend onderwijs. Een samenwerkingsverband tussen gemeenten is een vorm van interbestuurlijke samenwerking, vastgelegd in een gemeenschappelijke regeling op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr), met als doel het gezamenlijk uitvoeren van publieke taken. |
Vastgesteld |
| Organisatorische laag | De laag binnen het NORA-vijflaagsmodel voor de specificatie van de architectuur van organisaties en de werkwijzen waarmee zij diensten leveren. | De Organisatorische laag beschrijft met welke methoden en standaarden een architect invulling kan geven aan de organisatorische aspecten van het vraagstuk waarvoor een oplossing wordt gezocht. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen en hun samenhang:
Bestuurlijke context en domeinen en sectoren waarbinnen de overheidsdienstverlening plaatsvindt (Overheids)organisaties en hun taken voor de overheidsdienstverlening Capabilities en Generieke functies om te duiden welke vermogens die organisaties moeten hebben om die taken te kunnen uitvoeren (Gemeenschappelijke) Processen om de afgesproken overheidsdiensten te kunnen leveren De kern van de organisatorische view is de manier waarop de overheid is georganiseerd en wordt bestuurd en hoe de betrokken (overheids)organisaties onderling samenwerken om de afgesproken overheidsdienstverlening aan burgers en bedrijven te realiseren. |
Vastgesteld |
| organiseren | Het specificeren van de wijze waarop taken worden uitgevoerd en het beschikbaar maken van de hiervoor noodzakelijke middelen. | Dit begrip is vervallen. | Vervallen |
| partij | Een persoon of een groep personen die samenwerken of een rol spelen in een bepaalde context. | Een partij kan een organisatie of combinatie van organisaties zijn, maar een partij kan ook een ongestructureerde verzameling mensen zijn die alleen worden gebonden door een incidenteel gezamenlijk belang. Elke organisatie kan dus een partij zijn, maar niet elke partij is een organisatie. | Vervallen |
| patroon | Een generieke structuur die voor meerdere toepassingen herbruikbaar is. | Bij voorbeeld om een herbruikbaar oplossing voor een probleem te beschrijven. Een patroon kan zowel betrekking hebben op diverse objecten, waaronder technologische oplossingen, bedrijfsarchitectuur, en organisatorische structuren. Patronen ondersteunen meervoudige uitwerkingen in de praktijk. Een patroon is dus niet een standaard, maar een sjabloon waarmee verschillende, maar gelijksoortige praktijken kunnen worden gerealiseerd. Het gaat er nou juist om dat er een generieke onderlaag is gedefinieerd die nog moet worden vertaald naar een alternatieve praktische situatie. | Vastgesteld |
| persoonsgegeven | Een gegeven over een natuurlijk persoon. | Officiële definitie uit de AVG: "alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator." | Vastgesteld |
| practice | Een praktische beschrijving van de wijze waarop een taak wordt uitgevoerd. | Een practice specificeert een praktische manier om een taak uit te voeren,dóór mensen,en met behulp van hulpmiddelen. Daarom is een practice een voorbeeld van een werkwijze van het type werkinstructie: een practice specificeert het 'wat',het 'wie',en het 'hoe'.
Practices kunnen naar behoefte worden gespecificeerd om vast te leggen hoe bepaalde combinaties van taken kunnen worden uitgevoerd. Security Management is bijvoorbeeld een practice die gedetailleerd beschrijft hoe beveiligingstaken worden uitgevoerd. Practices kunnen worden gebaseerd op een stelsel van processen en workflows,die zijn uitgewerkt naar het niveau van procedures en vervolgens naar het niveau van werkinstructies. Op deze wijze kunnen alle practices van een organisatie worden gebaseerd op één gezamenlijk,onderliggend,generiek procesmodel. Het NORA Basisconcopt van Dienstverlening specificeert daarvoor een maximaal geïntegreerd en daardoor non-redundant procesmodel,dat generiek toepasbaar is voor alle dienstverleningsorganisaties. Aangezien de mensen en de hulpmiddelen van alle organisaties verschillen,ontstaan er dan verschillende practices voor elke organisatie,die echter op het vlak van de procesmodellering allemaal op dezelfde,vergelijkbare (proces)grondslag kunnen zijn gestoeld en de samenwerking tussen organisaties en teams krachtig ondersteunen. Een populaire techniek om practices te beschrijven is BPMN: business process modeling and notation. BPMN wordt echter gebruikt om werkwijzen te specificeren op het niveau van de werkinstructie,waarbij niet alleen het 'wat' (het proces) wordt gespecificeerd,maar ook het 'wie' (de uitvoerders) en het 'hoe' (de uitvoeringsvoorschriften en de hulpmiddelen). Om die reden zou BPMN beter business practice model and notation kunnen heten. |
Vastgesteld |
| principe | Een fundamentele en algemeen toepasbare regel, gebaseerd op een overtuiging en die geldt als richtlijn. | Principes zijn fundamentele overtuigingen, veelal gebaseerd op dieper liggende waarden. Het zijn de dingen die mensen echt belangrijk vinden. In de kern zijn principes vaak niet meer dan een slogan zoals "no wrong door", maar als je ze verder uitschrijft en uitdiept dan worden het genuanceerde stellingen. Deze stellingen kun je gebruiken als een norm waaraan je het gedrag van mensen kunt toetsen. Inherent aan principes is dat ze geen wetten zijn en daarmee een vorm van vrijheid bieden. Het is afhankelijk van de context of je je eraan kunt en wilt houden. Ze zijn vooral een middel om je aan het denken te zetten en met elkaar het gesprek over aan te geven. Daarbij is met name de rationale achter de stelling belangrijk en die moet dan ook expliciet worden gemaakt. Principes hebben ook implicaties, wat je kunt zien als logische gevolgtrekkingen van de stelling. Een principe is een leidraad voor architectuurbeslissingen en daarmee bepaal/beperk/stuur je met een principe de oplossingsruimte (principle driven design). | Vastgesteld |
| procedure | De specificatie van een proces of een (daaruit samengestelde) workflow en de uitvoerder van elke handeling daarin. | Een procedure is een "werkwijze waarin het 'wie' is toegevoegd aan het 'wat' van een proces. Een procedure kan worden uitgewerkt voor de scope van een proces, maar ook voor de scope van een workflow die in een geïntegreerd procesmodel is samengesteld uit procesblokken. De procedure met de scope van de workflow 'overerft' dan de specificaties van de procedure met de scope van het proces. | Vastgesteld |
| proces | Een verzameling processtappen die wordt getriggerd om een beoogd resultaat te bereiken. | Elk proces wordt getriggerd door een aanvrager: een burger of bedrijf, of verderop in de keten: een overheidsorganisatie of een andere organisatie. Elk proces leidt tot een voor de aanvrager betekenisvol resultaat. Op elk proces wordt toezicht uitgeoefend om ervoor te zorgen dat het proces het beoogde resultaat daadwerkelijk voor die aanvrager realiseert.
Omdat het hier in alle gevallen om (overheids)dienstverlening gaat, hanteert de NORA één generiek procesmodel voor al die dienstverlening, met generieke processen: als dienstverlener doe je immers overal hetzelfde: diensten verlenen. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening specificeert vier processen die vanuit de afnemer/gebruiker (het burgerperspectief, of het afnemerperspectief verderop in de keten) van belang zijn: Wijzigen, Herstellen, Afspreken, en Uitvoeren. Een vijfde proces, Verbeteren, werkt vanuit het perspectief van een andere stakeholder: de interne dienstverlenersorganisatie die voortdurend naar verbetering streeft. Voor dat proces is de afnemer ván de dienstverlener alleen indirect een stakeholder. Ook een organisatie van één persoon kent processen. De 'interne' uitvoerder in de bijbehorende procedure is dan altijd die ene persoon, tenzij de uitvoering is uitbesteed aan externe uitvoerders. Op basis van deze generieke processen - die alleen de handelingen (het 'wat') beschrijven - kan elke organisatie haar eigen uitvoerders van de betrokken handelingen bepalen, waardoor een werkwijze van het type procedure ontstaat (lokaal). Elke organisatie kan vervolgens aan die procedure ook haar eigen technische uitvoeringsvoorschriften en te gebruiken hulpmiddelen toevoegen, waarmee dan de (lokale) werkwijzen van het type werkinstructie ontstaan. Met deze vijf processen en acht werkstromen kunnen op die manier alle werkwijzen van alle vormen van (overheids)dienstverlening worden gespecificeerd. NB: In de spreektaal wordt het begrip 'proces' vaak gehanteerd voor praktische werkwijzen van het type procedure of werkinstructie. Hoewel dat slechts semantisch van belang lijkt, kan dit verstrekkende gevolgen hebben als daarbij verzuimd wordt deze praktische werkwijzen af te leiden van de gemeenschappelijke logische grondslag die - in de vorm processen - voor deze praktische werkwijzen geldt. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening specificeert hoe alle praktische werkwijzen van een dienstverlener kunnen worden afgeleid van één gemeenschappelijk (zuiver) procesmodel. |
Vastgesteld |
| procesmodel | Model dat de processen en hun onderlinge samenhang specificeert. | Een integraal procesmodel omvat alle handelingen die de organisatie (entiteit) uitvoert. In een geïntegreerd procesmodel sturen de componenten van het procesmodel elkaar aan. Hoe meer het procesmodel is geïntegreerd, hoe minder vaak dezelfde handelingen in het procesmodel voorkomen. Het beperken van die redundantie bevordert de efficiëntie van de uit dat procesmodel af te leiden werkwijzen. In een maximaal efficiënt procesmodel komt geen redundantie van handelingen meer voor.
Het NORA Basisconcept van Dienstverlening specificeert een generiek procesmodel voor een dienstverlener, waarin die non-redundantie volledig is doorgevoerd. Daarmee is het maximaal efficiënte procesmodel voor een dienstverlener gespecificeerd. In dat procesmodel komen nog slechts acht mogelijke workflows (werkstromen) voor waarmee de dienstverlener alle dienstverleningsactiviteiten kan organiseren. Ook een organisatie van één persoon kent processen en dus een procesmodel. |
Vastgesteld |
| processtap | Een samenhangend geheel van activiteiten als onderdeel van een proces. | Een processtap wordt veelal gebruikt om op hoofdlijnen de samenstelling van een proces te specificeren als de logische volgorde van te volgen stappen op weg naar het beoogde procesresultaat. Elke processtap kan daarna worden gedetailleerd in meerdere activiteiten die vervolgens weer zijn uit te werken in de bijbehorende handelingen. | Vastgesteld |
| product | Dat wat je produceert. | Het product van een dienstverlener is de dienst. Een product staat niet gelijk aan goederen. Goederen kunnen onderdeel zijn van de voorziening die deel uitmaakt van deze dienst. De goederencomponent van een dienst wordt in de praktijk nog regelmatig 'product' genoemd: een overblijfsel uit tijden waarin de economie vooral gericht was op het leveren van goederen in eenmalige transacties. Denk aan het begrip 'Producten- en Dienstencatalogus' (PDC). Inmiddels is de economie geheel getransformeerd tot een diensteneconomie,waarin de producten van organisaties hun diensten zijn. | Vastgesteld |
| profiel | Een verzameling van specificerende kenmerken. | Een profiel kan betrekking hebben op zeer verschillende subjecten.
Voorbeelden van profielen: Organisatorisch profiel, organisatieprofiel of medewerkersprofiel: Het Basisconcept van Dienstverlening gebruikt het begrip 'profiel' voor de kenmerken van een medewerker van een organisatie: iedere medewerker heeft een profiel, waarin is vastgelegd welke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden die medewerker heeft. Ook een entiteit in de vorm van een team of een gehele organisatie kan een profiel hebben. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar drie profieltypes: manager (zie 'managen'), coördinator (zie 'coördineren'), en uitvoerder. Zo'n profiel wordt ook wel ingevuld met een 'rol' of met een 'functie', of met een combinatie van beide. Zie voor details het Basisconcept van Dienstverlening. Gebruikersprofiel: Een set van gegevens die de identiteit, voorkeuren en toegangsrechten van een gebruiker in een systeem beschrijft. Voorbeeld: Een Windows-gebruikersprofiel met instellingen zoals bureaubladachtergrond, snelkoppelingen en toegangsmachtigingen. Systeemprofiel: Een configuratiebestand of dataset die de instellingen en parameters van een systeem of applicatie specificeert. Voorbeeld: Een netwerkprofiel dat instellingen bevat zoals IP-configuratie, DNS-servers en beveiligingsprotocollen. Toegangsprofiel: Een set toegangsrechten en rollen die bepalen wat een gebruiker of proces mag doen binnen een systeem. Voorbeeld: Een rolgebaseerd toegangsprofiel binnen een CRM-systeem dat een verkoopmedewerker toegang geeft tot klantgegevens maar geen administratieve rechten verleent. API-profiel: Een gedocumenteerde set van API-methoden, datamodellen en toegangsprotocollen die een specifieke interface voor ontwikkeling beschrijven. Voorbeeld: Een REST API-profiel dat endpoints en queryparameters definieert. |
Vastgesteld |
| programmatuur | Het geheel van digitale gegevens en instructies die een computer gebruikt om taken uit te voeren. | Deze programmatuur betreft zowel gebruikers- als systeemprogrammatuur. | Vastgesteld |
| raamwerk | De opzet, de structuur of het concept van iets. | Een raamwerk in bestuurlijke context is een gestructureerde aanpak om complexiteit te beheren, consistentie te waarborgen en de effectiviteit van besluitvorming en uitvoering te verbeteren. Het bestaat uit principes en richtlijnen die helpen bij het sturen van beslissingen, planning en activiteiten binnen een organisatie.
Een juridisch raamwerk heeft betrekking op een set van wetten, regels en voorschriften die de basis vormen voor het juridische systeem van een organisatie. Een beleidsraamwerk heeft betrekking op richtlijnen en principes die worden vastgesteld door organisaties om beleidsbeslissingen te ondersteunen en te sturen. Een governance-raamwerk heeft betrekking op de elementen die worden gebruikt voor het besturen en beheren van een organisatie. In de IT staat een raamwerk (framework) tegenover een methode: een methode specificeert een algemene aanpak op basis van bouwblokken en toepassingsregels die kan leiden tot de practices die in een raamwerk zijn opgenomen. Voorbeeld: het NORA Basisconcept van Dienstverlening beschrijft een methode voor het managen van dienstverlening, en ITIL, ASL, BiSL en COBIT beschrijven raamwerken die elk een eigen verzameling practices omvatten. Raamwerken bestaan dan uit practices en zijn daarom conditioneel bepaald: als de condities veranderen, dan veranderen ook die practices, en daarmee ook het raamwerk. Om die reden komen raamwerken in steeds weer nieuwe vormen voor en zijn methodes (gebaseerd op stabiele principes) veel stabieler. |
Vastgesteld |
| rechtspersoon | Een organisatie die in het recht als rechtssubject is erkend als drager van wettelijke rechten en plichten | Het betreft die een organisatie die rechtspersoonlijkheid bezit. Voorbeelden van organisatie met een rechtspersoonlijkheid staan genoemd in het Burgerlijk Wetboek,Boek 2 artikelen 1-3. Voor erkenning als rechtspersoon moet een organisatie aan meer voorwaarden voldoen dan het hebben van een vastgelegde structuur. Een notariële akte is niet altijd vereist (zie Titel 2 artikel 30 van dezelfde bron). In een juridische context wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen natuurlijke personen (mens) en niet-natuurlijke persoon (organisatie) met of zonder rechtspersoonlijkheid. De sui generis organisaties zijn onderdeel van De Staat en hebben geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid op basis van Boek 2 BW. | Vastgesteld |
| referentiearchitectuur | Een architectuur, gebaseerd op de praktijk, die als een voorbeeld dient voor het opstellen van specifieke (referentie)architecturen. | Het opstellen van een specifieke architectuur wordt daarmee een kwestie van het selecteren van herbruikbare principes, modellen en beschrijvingen, en het aanpassen aan en aanvullen op de specifieke situatie. Dit zorgt voor een grote versnelling van het architectuurontwerpproces.
Zie ook Een definitie van referentie architectuur De daarvan af te leden architecturen zijn in dezen de praktische ontwerpen, c.q. structuren, van zaken die in het domein van de referentie voorkomen. Voorbeelden van referentiearchitecturen zijn GEMMA voor gemeenten, HORA voor het Hoger Onderwijs. Zie voor meer voorbeelden: https://www.noraonline.nl/wiki/NORA_Familie. |
Vastgesteld |
| referentiecomponent | Een component van een systeem die geldt als referentie voor een bepaald doel. | Dit begrip met deze definitie wordt gehanteerd in de context van applicaties in een referentiearchitectuur. De functionele afbakening wordt bepaald door een bundeling van functionaliteiten (applicatiefuncties) die door de referentiecomponent worden gerealiseerd. | Vastgesteld |
| rol | Een combinatie van taken die een entiteit tijdelijk op zich neemt en die afwisselend door verschillende entiteiten kan worden vervuld, aangevuld met bevoegdheden en verantwoordelijkheden. | Een rol is een onderdeel van het begrip 'profiel', of een verschijningsvorm daarvan. Het begrip 'rol' wordt veelal gehanteerd wanneer er sprake is van een profiel dat een entiteit (bijv. een medewerker) tijdelijk op zich neemt. Zo'n 'rol' kan dan afwisselend door verschillende entiteiten worden vervuld.
In de praktijk komt naast 'rol' ook vaak het begrip 'functie' voor, in de betekenis van 'job' (aanstelling, betrekking, ambt, positie). Het NORA begrippenkader gebruikt dat begrip niet voor dit doel: functie heeft in het begrippenkader alleen betrekking op functionaliteit. De scheidslijn tussen rol en functie is in de praktijk dun. Zo kunnen bijvoorbeeld rollen zoals ethical hacker, data engineer, architect, change manager, of CISO net zo goed voorkomen onder de noemer 'functie'. In het NORA Basisconcept van Dienstverlening is dat een profiel. Een entiteit kan meerdere profielen hebben. Feitelijk bestaan profielen (rollen en het niet gehanteerde 'functies') uit takenpakketten die aan een medewerker (entiteit) kunnen worden toegekend, voorzien van de bijbehorende bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De begrippen profiel versus rol en 'functie' verschillen vooral in hun gebruik, en dan met name ten aanzien van de duurzaamheid van de relatie tussen het takenpakket en de medewerker: rollen zijn vooral bedoeld om eenvoudiger overdraagbaar te zijn. Om het antwoord te geven op de vraag "Welke taken heeft deze medewerker?" hanteert het NORA Basisconcept van Dienstverlening dus het allesomvattende begrip 'profiel'. Voor meer achtergrondinformatie over 'rol', 'functie', en 'profiel', zie het begrip 'profiel'. |
Vastgesteld |
| standaard | Vaststaand, erkend voorbeeld of model. | Standaarden kunnen aanbevolen worden of verplicht worden gesteld. Standaarden worden doorgaans ontwikkeld en beheerd door erkende organisaties, zoals het Forum Standaardisatie in Nederland. Forum Standaardisatie ontwikkelt en beheert, zelf geen open standaarden maar deze een status geeft: verplicht (‘Pas toe of leg uit’) of aanbevolen aan de overheid. Standaarden hebben als doel om consistentie en samenwerking binnen en tussen organisaties te bevorderen. Het gebruik van standaarden draagt bij aan efficiëntie, schaalbaarheid en toekomstbestendigheid, terwijl het tegelijkertijd helpt bij het reduceren van kosten en complexiteit. In de context van ICT en informatievoorziening zijn standaarden van essentieel belang om systemen, processen en gegevensuitwisseling op elkaar af te stemmen. Voorbeelden hiervan zijn technische protocollen, zoals HTTPS of SAML, maar ook organisatorische standaarden, zoals NEN-normen of de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). Door het toepassen van erkende standaarden wordt tevens de adoptie van practices bevorderd en de kans op fouten of incompatibiliteiten verkleind. Voor de publieke sector kan Forum Standaardisatie open standaarden verplichten (‘Pas toe of leg uit’-verplichting) of aanbevelen aan de overheid. | Vastgesteld |
| stelsel | Een systeem waarbinnen organisaties via afspraken, standaarden en/of voorzieningen samenwerken om bepaalde functionaliteit te realiseren. | Een stelsel is een samenhangend systeem waarin meerdere entiteiten via gezamenlijk overeengekomen afspraken, standaarden en/of gedeelde voorzieningen samenwerken om specifieke functionaliteiten of doelen te realiseren. Dit systeem biedt een structuur waarin deelnemers efficiënt en effectief kunnen samenwerken, terwijl tegelijkertijd uniformiteit en betrouwbaarheid worden gewaarborgd. Die deelnemers kunnen zowel organisaties als personen zijn.
In de context van publieke dienstverlening of informatievoorziening kan een stelsel bijvoorbeeld verwijzen naar een netwerk van systemen en processen die zorgen voor gegevensuitwisseling, zoals het Stelsel van Basisregistraties in Nederland. Binnen zo’n stelsel worden afspraken vastgelegd over dataformaten, beveiliging en governance, en worden gedeelde voorzieningen ingericht om integratie en interoperabiliteit mogelijk te maken. De kracht van een stelsel ligt in de gezamenlijke aanpak: door afspraken en standaarden te hanteren, wordt fragmentatie voorkomen, en kunnen organisaties (entiteiten) gezamenlijke doelstellingen behalen. Tegelijkertijd biedt een stelsel ruimte voor flexibiliteit en innovatie binnen de gestelde kaders. |
Vastgesteld |
| strategie | Het plan waarmee een entiteit haar missie wil bereiken. | Voor de realisatie van haar missie kiest de organisatie een strategie waarmee de organisatie een concrete doelstelling wil bereiken. Die doelstelling kan met een serie concrete doelen worden gerealiseerd.
Een strategie bevat de lange-termijndoelen en de overkoepelende benadering die gevolgd wordt om deze doelen te realiseren. Een strategie is vaak breed en kan zowel gericht zijn op het behalen van grote, abstracte doelstellingen als op het aansteken van een transformatieproces binnen een entiteit. Ook een natuurlijk persoon kan een strategie hanteren. Zie ook kernwaarde, missie, en visie. Een strategisch plan wordt geconcretiseerd in een bijbehorende tactiek en gerealiseerd in de daarbij horende operatie. Iets is dus strategisch als het betrekking heeft op de ontwikkeling of bepaling van het overkoepelende plan waarmee een entiteit haar missie wil bereiken, en verband houdt met het vaststellen van de richting, keuzes en doelstellingen van de entiteit. Een analogie die in dit verband gangbaar is, is richten-inrichten-verrichten, waarbij strategie betrekking heeft op het 'richten'. |
Vastgesteld |
| systeem | Een samenhangend en geïntegreerd geheel van componenten die elkaar wederzijds beïnvloeden. | Volgens de leer van Systems Thinking kun je onderscheid maken tussen de essentiële componenten van een systeem en de overige, niet-essentiële componenten. De essentiële componenten zijn vereist om het systeem überhaupt te laten functioneren: als zo'n component ontbreekt functioneert het systeem niet.
De niet-essentiële componenten leveren aanvullende functies, die gewenst kunnen zijn, maar niet noodzakelijk voor de werking van het systeem. Een voorbeeld: Op deze wijze specificeert het Basisconcept van Dienstverlening de drie essentiële componenten van een dienstverlenende organisatie: de mensen van die organisatie, de dingen die deze mensen doen ('processen'), en de hulpmiddelen die deze mensen daarbij gebruiken (c.q. nodig hebben). Aanvullende componenten zoals geld en data zijn niet vereist om een organisatie te laten functioneren, maar kunnen wel aanvullende functies ondersteunen die gewenst zijn. Een gevolg van het onderkennen van de essentiële componenten van een systeem is dat de werking van dat systeem alleen duurzaam kan worden verbeterd als alle essentiële componenten bij die verbetering zijn betrokken. Het reorganiseren van alleen de component 'mensen' leidt dus niet per definitie tot een duurzame verbetering van de prestatie, als de processen en hulpmiddelen niet bij die verbetering zijn betrokken. Het vervangen van alleen de component hulpmiddelen leidt niet tot een duurzame verbetering van de prestatie, als de mensen en de processen niet bij die verbetering zijn betrokken. Het is voor de verbetering van de prestatie van een systeem dus van groot belang om de essentiële componenten van dat systeem te onderkennen en hun onderlinge relaties te begrijpen. |
Vastgesteld |
| taak | Een opdracht om een samenhangende verzameling handelingen uit te voeren. | Een taak wordt ook wel sec gezien als die set samenhangende handelingen, en dus niet als de opdracht daartoe.
Het gaat bij een taak in beide gevallen dus om een verzameling handelingen. Die verzameling hoeft qua structuur niet overeen te komen met de ordening van handelingen in een proces, te weten de ordening in activiteiten of processtappen. Profielen die aan medewerkers worden toegekend hebben ook betrekking op taken. Zie voor meer achtergrondinformatie daarover de begrippen 'profiel' en 'rol'. |
Vastgesteld |
| tactiek | Het specifieke plan waarmee een entiteit een onderdeel van haar strategie wil realiseren. | De tactiek van de organisatie omvat concrete acties, keuzes, en middelen die ingezet worden om een bepaald doel te bereiken binnen de bredere strategische kaders. Tactiek richt zich op de uitvoering van een plan op operationeel niveau en kan flexibel aangepast worden aan omstandigheden, uitdagingen, of kansen die zich tijdens de realisatie voordoen.
De tactiek vertaalt daarmee het overkoepelende strategische plan naar concrete keuzes die in de operatie kunnen worden uitgevoerd. Iets is tactisch wanneer het gericht is op de inrichting, planning of voorbereiding van de handelingen die bijdragen aan de gekozen strategie. Tactiek heeft een kortetermijn karakter. Een analogie die in dit verband gangbaar is, is richten-inrichten-verrichten, waarbij tactiek betrekking heeft op het 'inrichten'. |
Vastgesteld |
| taxonomie | Een begrippenkader, waarin begrippen hiërarchisch op basis van een classificatiecriterium zijn geordend in groepen of types. | Een taxonomie wordt gebruikt om kennis te ordenen en te indexeren (opgeslagen als documenten, artikelen, video's, enz.), zoals in de vorm van een bibliotheekclassificatiesysteem of een taxonomie van een zoekmachine, zodat gebruikers de informatie die ze zoeken gemakkelijker kunnen vinden. Taxonomieën zijn hiërarchieën (en hebben dus een intrinsieke structuur en betekenis). | Vastgesteld |
| thesaurus | Een begrippenkader waarin begrippen semantisch en hiërarchisch zijn geordend. | Het doel van een thesaurus is traditioneel om de indexeerder en de zoeker te helpen bij het kiezen van dezelfde term voor hetzelfde begrip. Om dit te bereiken, bevat een thesaurus in de eerste plaats alle begrippen die nuttig kunnen zijn voor zoekdoeleinden in een bepaald domein. Ten tweede moet een thesaurus de begrippen zo presenteren dat mensen ze gemakkelijk kunnen vinden. Dit wordt bereikt door relaties tussen begrippen tot stand te leggen en de relaties te gebruiken om de begrippen in een gestructureerde weergave te presenteren. | Vastgesteld |
| toegang | De mogelijkheid van een entiteit om een object te benaderen en te gebruiken. | Een entiteit kan namens zichzelf acteren (bijv. burger doet eigen belasting aangifte) of de bevoegdheid hebben om namens een andere entiteit te acteren (partner van, of accountantskantoor doet dat namens een burger.
Een apparaat krijgt toegang op basis van zijn identiteit en de entiteit onder wiens verantwoordelijkheid het apparaat valt. Een apparaat heeft geen eigen wilsbeschikking en juridische status, voert een apparaat altijd handeling uit namens een entiteit. Toegang kan onder andere worden verleend, beperkt, gebruikt en gemonitord. Identiteit en Toegang (IAM) heeft raakvlakken met Informatiebeveiliging en Privacy die is uitgewerkt in De_samenhang_tussen_Privacy_&_Beveiliging_&_IAM en Identiteit_en_Toegang_(IAM)/Relaties_met_andere_elementen. |
Vastgesteld |
| toeleverancier | Een leverancier van de dienstverlener. | Het NORA Basisconcept van Dienstverlening onderscheidt in de dienstverleningsketen vanuit het perspectief van een ketenpositie (schakel) drie profielen: afnemer, dienstverlener, en toeleverancier. Dit onderscheid geldt dan voor elke schakel in de keten: elke schakel heeft aan de 'voorkant' een afnemer en aan de 'achterkant' een toeleverancier.
Dit zijn relatieve posities, die pas vorm krijgen zodra je een zekere schakel in de keten beschouwt. Vanuit het perspectief van de toeleverancier (één schakel verderop in de keten) is de leverancier van hierboven dan weer een afnemer. Ook de afnemer uit bovenstaand voorbeeld kan zelf weer een leverancier zijn, waardoor de eerstgenoemde leverancier nu als toeleverancier wordt beschouwd. Met deze drie profielen kunnen alle denkbare relatiepatronen tussen schakels in een ecosysteem worden getypeerd. |
Vastgesteld |
| toepassingsgebied | De functioneel inhoudelijke afbakening van bepaalde artefacten. | Voor het toepassingsgebied geldt dat bepaalde artefacten, zoals concepten, modellen, standaarden, processen, voorzieningen of regelgeving daaraan te relateren zijn. Een toepassingsgebied is functioneel van aard. Een toepassingsgebied is niet hetzelfde als een werkingsgebied. | Vastgesteld |
| uitvoeren | Het doen van werkzaamheden die worden gemanaged en gecoördineerd. | Uitvoeren is één van de drie soorten werk in het besturingsmodel van een organisatie: managen, coördineren en uitvoeren.
De bijbehorende profieltypes heten manager, coördinator en uitvoerder (operator, behandelaar). De uitvoerder van een handeling kan dat doen in alle processen: een contractmanager kan de uitvoerder zijn van de handeling 'opstellen Serviceovereenkomst' in het proces Afspreken, nadat deze handeling is gemanaged en gecoördineerd. Een systeembeheerder kan de uitvoerder zijn van de handeling 'installeren software' in het proces Uitvoeren, nadat deze handeling is gemanaged en gecoördineerd. Een teamleider kan de uitvoerder zijn van een lijnsturingshandeling zoals 'voorzitten werkoverleg', en ook een directeur is 'uitvoerder' bij het uitvoeren van een toegewezen taak. Uitvoeren kan strategische handelingen betreffen, maar ook tactische of operationele handelingen. De uitvoerder wordt gespecificeerd in een werkwijze van het type procedure en werkinstructie. De specificatie van het uitvoeren is onderdeel van een werkwijze van het type werkinstructie. |
Voorgesteld |
| Uitvoeren | Het proces waarin alle operationele activiteiten van de dienstverlener worden uitgevoerd. | Vanuit het perspectief van de afnemer, de burger, zijn alleen zaken van belang die in de productieomgeving van de dienstverlening plaatsvinden (de 'leefwereld'). In het NORA Basisconcept van Dienstverlening is 'Uitvoeren' daarom opgenomen als het proces waarin alle handelingen in die voor de burger relevante productieomgeving plaatsvinden. Handelingen die betrekking hebben op daaraan voorafgaande zaken in andere omgevingen dan de productieomgeving, zoals keuzes maken, afwegen, analyseren, onderhandelen, bouwen, voorbereiden, testen, etc., kunnen plaatsvinden in de andere processen.
Door alle handelingen in de productieomgeving samen te voegen onder één integrale en geïntegreerde besturing kan de dienstverlener integrale verantwoordelijkheid nemen voor de dienstverlening. Deze handelingen komen dan niet voor in andere processen, zodat er geen redundantie in het procesmodel ontstaat: één kapitein op een schip. Zie voor meer details het NORA Basisconcept van Dienstverlening. Het interactietype waarmee het proces 'Uitvoeren' wordt getriggerd heet 'Service request'. |
Vastgesteld |
| verantwoordelijkheid | De plicht of verplichting om bepaalde taken uit te voeren en daarover verantwoording af te leggen. | Verantwoordelijkheid kan alleen toegekend worden aan een entiteit.
Verantwoordelijkheid impliceert een streven naar het bereiken van beoogde resultaten met zorg en integriteit en het besef van de gevolgen van handelen en functioneren. Verantwoordelijkheid kan gepaard gaan met aansprakelijkheid als de entiteit die verantwoordelijk is ook de consequenties van de uitvoering ondergaat. Verantwoordelijkheid kan gedelegeerd worden, eindverantwoordelijkheid niet. Verantwoordelijkheid is een begrip dat wordt gehanteerd in een RACI-matrix. Deze matrix beschrijft de relaties tussen profielen van entiteiten en de aan die profielen toegewezen taken. Deze relaties kunnen daarbij met het begrip 'verantwoordelijk' (de 'R' van responsible) worden gespecificeerd, maar ook met de 'A' van accountable (eindverantwoordelijk). |
Vastgesteld |
| Verbeteren | Het proces waarmee verbeteringen worden behandeld. | Het proces 'Verbeteren' is één van de vijf processen uit het NORA Basisconcept van dienstverlening. Die 5 processen zijn: Afspreken, Wijzigen, Herstellen, Uitvoeren, Verbeteren.
Een verbetering is een proactieve handeling die vanuit het perspectief van de dienstverlener wordt afgehandeld, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een incident dat reactief - dus als reactie op een melding vanuit het perspectief van de afnemer - wordt afgehandeld. Verbeteringen kunnen een negatieve en een positieve context hebben. In een negatieve context is een verbetering het wegnemen van een bedreiging voor de bestaande dienstverlening. In een positieve context is een verbetering een innovatie van de bestaande dienstverlening. In beide gevallen doorloopt het proces 'Verbeteren' dezelfde logische stappen, en leidt dat tot het al of niet doorvoeren van een maatregel. Zie verder: https://www.noraonline.nl/wiki/Het_procesmodel_en_de_werkstromen_van_de_overheidsorganisatie |
Vastgesteld |
| versie | Een bepaald voorkomen van iets. | Om versiebeheer gestructureerd te kunnen uitvoeren is het wenselijk een typering van de mogelijke versies te hanteren m.b.v. semantisch versiebeheer. Dat kan net zo gedetailleerd als je wil,bijvoorbeeld in een driedeling: release,upgrade,fix:
release - Een geplande versie,die ruim van tevoren te vinden is op de wijzigingenkalender. upgrade - Een versie die niet kan wachten op de volgende geplande release. fix - Een correctieve versie die niet kon wachten tot de volgende upgrade of release. Andere gangbare indelingen zijn major/minor/patch of major/minor/revision die geheel analoog werken. Een model met vier types is bijvoorbeeld major/minor/micro/modifier. In software-omgevingen wordt soms met een meer gedetailleerde set van vijf types gewerkt: major/minor/patch/build/revision of zoals in Python: epoch/release/pre-release/post-release/development. Hoe meer versieniveaus,hoe gedetailleerder er op versiebeheer kan worden gestuurd,maar ook,hoe meer inspanningen daarvoor moeten worden verricht. |
Vastgesteld |
| verwerking | Het geheel van bewerkingen die worden uitgevoerd op persoonsgegevens | Deze bewerkingen kunnen handmatig of geautomatiseerd worden uitgevoerd. | Vastgesteld |
| vestiging | Een deel van een organisatie dat zich richt op dienstverlening in een specifiek geografisch gebied en daar ook een locatie heeft. | Het geografische gebied kan groot zijn (een provincie) en klein (een wijk). In het onderwijs wordt vestiging vaak als verkorte aanduiding voor vestigingserkenning gehanteerd. In de wet- en regelgeving is het bijvoorbeeld een aanduiding voor een onderwijslocatie waarop een vestigingserkenning is afgegeven door OCW aan de onderwijsorganisatie die deze locatie in gebruik heeft. | Vastgesteld |
| virtualisatie | Een technologie die een virtuele component creëert die zich functioneel hetzelfde gedraagt als een fysieke component, en waarbij het voor de gebruiker/beheerder niet zichtbaar is welke onderliggende fysieke component daarvoor gebruikt wordt. | Virtualisatie kan worden gebruikt om
een aantal kleinere componenten te plaatsen op een fysieke component die groter is (vaak bij server- en desktop-, en netwerkvirtualisatie). Hierbij ontstaan dus meerdere lichtere/kleinere componenten (servers, desktop, netwerksegmenten). de verdeling over meerdere fysieke componenten verbergen (vaak bij data- en opslagvirtualisatie) waardoor fysiek verspreide data als 1 logisch geheel gepresenteerd wordt. de fysieke component waarop een applicatie geïnstalleerd is en wordt uitgevoerd af te schermen (bij applicatie- virtualisatie); |
Vastgesteld |
| visie | Een korte verklaring over een gewenste toekomst waar een entiteit een bijdrage aan wenst te leveren. | Een organisatie legt haar beschouwing van een gewenste toekomst vast in een visie: datgene waar die organisatie een bijdrage aan wil leveren. Van die visie leidt de organisatie dan haar eigen missie af: de bijdrage die de organisatie aan die gewenste toekomst kan en wil leveren, vanuit haar eigen kernwaarden. Voor de realisatie van die missie kiest de organisatie een strategie waarmee de organisatie een concrete doelstelling wil bereiken. Die doelstelling kan met een serie concrete doelen worden gerealiseerd via een tactiek en de daarop gebaseerde operatie. Ook een natuurlijk persoon kan een visie hanteren. Zie ook kernwaarde, missie en strategie. | Vastgesteld |
| volmacht | Een bevoegdheid van een entiteit om namens een andere entiteit privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. | Vevoegdheid is een vorm van vertegenwoordiging, maar anders dan bij bijvoorbeeld voogdij of bewind, waar alleen de vertegenwoordiger mag handelen, blijft een volmachtgever naast de volmachtkrijger (gevolmachtigde) bevoegd alle rechtshandelingen ook zelf te verrichten. Het verlenen van een volmacht kan niet stilzwijgend plaatsvinden. | Voorgesteld |
| voorziening | De ondersteunde goederen en/of handelingen die de dienstverlener beschikbaar stelt aan de afnemer als onderdeel van de dienst. | Iedere dienst is een ondersteunde voorziening. De voorziening is dus een onderdeel van de dienst.
Voorzieningen in overheidsdiensten zijn buitengewoon variabel: daaronder vallen alle zaken die aan de burger beschikbaar worden gesteld in het kader van de dienstverlening. Dat varieert van openbaar vervoer tot aan inkomensvoorzieningen, van openbaar groen tot geestelijke hulpverlening, en van onderwijs tot aan afvalverwerking en verkeerstoezicht. In andere bedrijfstakken geldt hetzelfde: voorzieningen zijn buitengewoon variabel en kunnen zo ongeveer alles omvatten waardoor de afnemer een meerwaarde ervaart. Een voorziening bestaat uit een combinatie van goederen en handelingen. Het zwaartepunt kan daarbij op goederen liggen (denk aan een straat, een park of een leaseauto), maar ook op handelingen (denk aan geestelijke gezondheidszorg). De ondersteuning van die voorziening, waarmee het begrip 'dienst' gecompleteerd wordt, is in alle situaties weliswaar gelijkvormig, maar deze ondersteuning kan wel variëren in de scope en kwaliteit van uitvoering. Bij dienstverlening maakt de gebruiker altijd gebruik van de component voorziening, om iets te doen wat deze gebruiker niet kon, mocht, of wilde doen. Voor een uitgebreide toelichting, zie het NORA Basisconcept van Dienstverlening. |
Vastgesteld |
| waarde | De betekenis of het belang dat aan iets wordt toegekend. | Het begrip waarde kan verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de context, en verwijst naar de betekenis of het belang dat aan iets wordt toegekend.
In de context van dienstverlening geldt, indachtig de spreuk "Value is the eye of the beholder", dat waarde een subjectieve beoordeling is die wordt bepaald door de afnemer van de dienst. Waarde komt hier neer op de door de afnemer ervaren verbetering in de wijze waarop iets in de afnemersomgeving functioneert. Dat kan tal van aspecten betreffen, zoals gebruiksvriendelijkheid, efficiëntie of innovatie. Waarde is dan te omschrijven als "een verbetering in de vitaliteit van het systeem (van de afnemer)". In een maatschappelijke, morele of ethische context kan waarde verwijzen naar principes, normen en overtuigingen, maar ook naar ervaringen zoals kunst. Denk ook aan het begrip 'kernwaarde'. In een financiële context kan waarde verwijzen naar het bedrag in geld dat iets vertegenwoordigt als het verhandeld zou moeten worden. |
Vastgesteld |
| waardestroom | De verzameling van handelingen die nodig zijn om een dienst te leveren, gezien vanuit het perspectief van de dienstverlener. | Een werkwijze voor het leveren van een dienst kan uit verschillende perspectieven worden beschouwd.
Vanuit het perspectief van de afnemer spreken we van klantreis (customer journey): de verzameling interacties (touchpoints) die de afnemer ervaart bij de uitvoering van de dienst. Een dienstverlener ervaart van die werkwijze echter veel meer: de dienstverlener is verantwoordelijk voor gehele uitvoering. Vanuit het perspectief van de dienstverlener spreken we dan van waardestroom (value stream). Een workflow, een waardestroom, en een klantreis beschrijven alle drie de end-to-end stroom van het werk dat bij een dienstverleningsprestatie is inbegrepen, maar vanuit verschillende perspectieven en met verschillende diepgang. De workflow specificeert alleen de handelingen. De detaillering daarvan vindt plaats in de vorm van de procedure en de werkinstructie. De waardestroom specificeert alle handelingen die door alle betrokken uitvoerders worden uitgevoerd, al of niet met de bijbehorende uitvoerders en de technische voorschriften voor die uitvoering. De waardestroom komt dus overeen met een werkwijze van het type workflow, procedure of werkinstructie, al naargelang de mate van detaillering van die werkwijze. De laatste is de meest gangbare vorm. De klantreis specificeert alleen wat de afnemer/gebruiker ervaart van alle werkzaamheden die in de workflow c.q. waardestroom voorkomen. Ook die klantreis kun je dus detailleren op het niveau van de workflow, de procedure, of de werkinstructie. De laatste is de meest gangbare vorm. |
Vastgesteld |
| werkingsgebied | De geografische of organisatorische afbakening waarin iets uitwerking heeft. | Werkingsgebieden zijn bedoeld om de uitwerking van bijvoorbeeld regels, principes, standaarden, afspraken of voorzieningen af te bakenen. Die afbakening kan bijvoorbeeld geografisch of organisatorisch zijn. Een werkingsgebied moet niet verward worden met toepassingsgebied. In het onderwijs worden werkingsgebieden gebruikt voor de afbakening van onderwijsdomeinen die gerelateerd zijn aan onderwijssectoren en de onderverdeling daarbinnen (zie: https://rosa.wikixl.nl/index.php/Werkingsgebieden). | Vastgesteld |
| werkinstructie | De specificatie van een proces of een (daaruit samengestelde) workflow, de uitvoerder van elke handeling daarin, en de technische uitvoeringsvoorschriften en hulpmiddelen die deze uitvoerder daarbij hanteert. | Een werkinstructie is een soort werkwijze die het 'hoe' toevoegt aan het 'wat' en het 'wie' van een procedure.
Een werkinstructie kan gedefinieerd worden voor de scope van een proces, maar een werkinstructie heeft meer betekenis als deze net als de procedure wordt gedefinieerd voor de scope van een workflow. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening specificeert vijf generieke dienstverleningsprocessen in een geïntegreerd procesmodel, waarin slechts acht workflows voorkomen. Met de templates van die acht workflows kan een organisatie talloze praktische uitwerkingen genereren op het niveau van de werkinstructie. De details van die werkinstructies worden dan bepaald door de daarbij ingezette uitvoerders, de technische uitvoeringsvoorschriften en hulpmiddelen, en de diensten die daarmee worden gerealiseerd. |
Vastgesteld |
| werkwijze | Een manier om iets uit te voeren. | Het NORA Basisconcept van Dienstverlening onderscheidt drie soorten werkwijzen, op drie samenstellingsniveaus (zie het NORA Basisconcept van Dienstverlening:
Niveau 1: Een proces of workflow specificeert alleen de logische volgorde van handelingen, dus alleen het 'wat'. Niveau 2: Een procedure specificeert de logische volgorde van handelingen én de uitvoerders daarvan, dus het 'wat' en het 'wie'. Niveau 3: Een werkinstructie specificeert de logische volgorde van handelingen, de uitvoerders daarvan, én de technische uitvoeringsvoorschriften en hulpmiddelen die deze uitvoerder daarbij hanteert, dus het 'wat', het 'wie', en het 'hoe'. In een klantgerichte dienstverlening beschrijven alle werkwijzen de afhandeling van een melding vanaf de trigger tot en met het opleveren van het beoogde resultaat aan de aanvrager. Het NORA Basisconcept van Dienstverlening ondersteunt de ontwikkeling van een onbeperkte hoeveelheid organisatie-specifieke werkwijzen die allemaal op één en dezelfde generieke grondslag zijn gestoeld: het volledig geïntegreerde en daardoor non-redundante, generieke procesmodel van een dienstverlener. Door het herhaald toepassen van deze structuur in ketens tussen en binnen overheidsorganisaties kan de samenwerking (organisatorische interoperabiliteit) tussen betrokken organisaties en teams krachtig worden gestroomlijnd. Practices zijn praktische werkwijzen, die generiek zijn uitgewerkt op niveau 3: de werkinstructie. |
Vastgesteld |
| Wijzigen | Het proces waarmee wijzigingen worden behandeld. | Het proces 'Wijzigen' is één van de vijf processen uit het geïntegreerde NORA procesmodel van dienstverlening. Een wijziging is aanpassing van een dienst of een component daarvan die binnen het bereik van de beheerde infrastructuur valt.
Omdat wijzigingen betrekking hebben op de beheerde infrastructuur van de dienstverlener, worden wijzigingen zeer zorgvuldig doorgevoerd: ze kunnen effecten hebben op meerdere afnemers. Conform het NORA Basisconcept van Dienstverlening worden wijzgingen daarom in een speciaal proces doorgevoerd: het proces 'Wijzigen'. Niet elke aanpassing is dus een wijziging. Een aanpassing die - naar het oordeel van de dienstverlener - geen noemenswaardige invloed heeft op de dienstverlening kan daarom als een aanpassing worden doorgevoerd zonder daarvoor het proces 'Wijzigen' in te zetten: die aanpassing valt onder het proces 'Uitvoeren'. De afhandeling vindt nog steeds zorgvuldig plaats, conform de afgesproken dienstverlening, maar de speciale activiteiten uit het proces 'Wijzigen' zijn niet vereist. Deze aanpassing veroorzaakt bovendien geen mutatie in het beheerde infrastructuur register. |
Vastgesteld |
| workflow | Een reeks opeenvolgende handelingen in het procesmodel van een organisatie, waarmee een dienstverleningsverzoek van begin tot eind wordt afgehandeld. | Een workflow is een werkwijze die uitsluitend bestaat uit de handelingen die in de scope van die workflow aan bod komen.
De workflow specificeert dus niet de uitvoerder van die handelingen, en is dus geen procedure. De workflow specificeert ook niet de technische instructies van die uitvoerder van die handelingen, en is dus geen werkinstructie. In een geïntegreerd procesmodel bestaat een workflow uit een reeks procescomponenten, bestaande uit (alleen) handelingen, die in een logische samenhang het beoogde resultaat aan de aanvrager opleveren. Een melding van een afnemer fungeert dan als de trigger die zo'n workflow initieert, waarmee een logisch voorspelbaar patroon van handelingen in het procesmodel wordt gevolgd. Voegen we aan die workflow dan per handeling de uitvoerder toe, dan resulteert de procedure voor die workflow. Voegen we aan die procedure vervolgens ook de technische voorschriften en hulpmiddelen voor die uitvoering toe, dan resulteert de werkinstructie voor die workflow. Het geheel geïntegreerde procesmodel van het NORA Basisconcept van Dienstverlening onderkent slechts acht workflows waarmee elk verzoek van een aanvrager kan worden gerealiseerd. Deze workflows vormen de architectuurpatronen voor alle werkwijzen van de organisatie. Elke organisatie is in staat om al haar werkwijzen vanuit die acht patronen te ontwikkelen, waarmee de organisatorische interoperabiliteit in een organisatie of netwerk wordt geleverd. Een workflow, een waardestroom, en een klantreis beschrijven alle drie de end-to-end stroom van het werk dat bij een dienstverleningsprestatie is inbegrepen, maar vanuit verschillende perspectieven en met verschillende diepgang. De workflow specificeert alleen de handelingen. De detaillering daarvan vindt plaats in de vorm van de procedure en de werkinstructie. De waardestroom specificeert alle handelingen die door alle betrokken uitvoerders worden uitgevoerd, al of niet met de bijbehorende uitvoerders en de technische voorschriften voor die uitvoering. De waardestroom komt dus overeen met een werkwijze van het type workflow, procedure of werkinstructie, al naargelang de mate van detaillering van die werkwijze. De laatste is de meest gangbare vorm. De klantreis specificeert alleen wat de afnemer/gebruiker ervaart van alle werkzaamheden die in de workflow c.q. waardestroom voorkomen. Ook die klantreis kun je dus detailleren op het niveau van de workflow, de procedure, of de werkinstructie. De laatste is de meest gangbare vorm. |
Vastgesteld |
14 april 2026 11:17:29
13 januari 2026 08:38:10
14 april 2026 11:17:29
18
Informatief